Plagiatoren trekken voorbij

Foute boeken? Uit de kast (8)

Door Nico Keuning

Het begon als een grap. Journalist en W.F. Hermans-biograaf Hans van Straten meldde mij dat hij het supplement bij de uitgave Opmars der plagiatoren had voltooid. Van Straten was een omgevallen boekenkast die je niet gauw op een misser kon betrappen. Om hem te prikken vroeg ik hem of hij Het grote verlangen (1992) van Marcel Möring wel had opgenomen. Ik had er passages (p.60-63) in herkend uit de film Roma (1972) van Fellini, waarin fabrieksarbeiders in de rij staan voor een auto waarin ze, ieder op zijn beurt, met een bereidwillige dame de betaalde liefde bedrijven. ‘Nee!’ reageerde Van Straten. Maar het kon er nog in: ‘Op de valreep’. ‘Mag ik je als bron vermelden?’ vroeg hij. Prima, reageerde ik argeloos. Tot mijn schrik leidde Plagiatoren trekken voorbij (1993) tot een literaire rel, waarvan ik de aanstichter was. Nu werd het supplement zelf een fout boek.

Het boekje, geniet, 32 pagina’s, uitgegeven door Bas Lubberhuizen, werd door Martin Ros jubelend besproken in het zaterdagochtend radioprogramma de Tros Nieuwsshow. Ros meldde met stemverheffing dat Möring, de winnaar van de AKO Literatuurprijs, werd beschuldigd van plagiaat. De uitgever van de schrijver dreigde naar de rechter te stappen en eiste vernietiging van het supplement. Maandagavond 13 december was ik als ‘recensent Haarlems Dagblad’ gast in het televisieprogramma NOVA, dat die avond werd aangekondigd door Mart Smeets.

‘We hebben de film gevonden,’ juichte het meisje van de NOVA-redactie, doelend op het fragment in de film van Fellini. Mooi, dacht ik, het bewijs is er. Ik werd afgevoerd naar een ondergrondse studio en las de betreffende passages uit Het grote verlangen. De passages waarin de rode Chevvy komt aanrijden en voor de fabriek stopt, waar veertien man zich opstellen om een voor een voor twee tientjes hoer Rika te beklimmen: ‘Waar het ritueel vandaan kwam wisten wij niet. Dat wist niemand. Iedereen, van voorman tot losser, kon zich herinneren dat hij achteraan in de rij was begonnen en in de loopt der jaren was opgeschoven naar meer begerenswaardige plaatsen.’ Vervolgens werd mij gevraagd commentaar te geven bij de filmbeelden. En, luidde de vraag, is er sprake van plagiaat? Dat weet ik niet, zei ik, maar het filmfragment en de passage in het boek vertonen een opmerkelijke gelijkenis. Ik had het zojuist laten zien.

De uitgever en de schrijver waren ‘woedend’. Het zwijgen van Möring leek te wijzen op paniek. Na een radiostilte van vier dagen bekende Möring in het AD – waar zijn vriendin werkte – de film Roma van Fellini destijds inderdaad te hebben gezien.

Plagiaat is volgens prof. mr. D.W.F. Verkade: ‘Iets wat wordt gepresenteerd als iets oorspronkelijks terwijl het een nabootsing is.’ Juist in de literatuur is oorspronkelijkheid essentieel, als oorspronkelijk product van de verbeelding. Mr. Frits Oppenoorth noemt plagiaat ‘het zich toe-eigenen van het geestelijk voortbrengsel van een ander, onder toevoeging van eigen naam: roof van aanzien en verdienste. Bij ontdekking, indien die ooit volgt, wordt het gestraft met de diepste verontwaardiging en uitstoting op het gebied waarop de plagiator juist zo graag aanzien wilde verwerven.’

Niet de schrijver, maar de recensent was de boosdoener. Dichter en schrijver Willem Jan Otten vatte de affaire in NRC Handelsblad samen als ‘hondsvotterij’. Toch was er iets in werking gezet. Na eerdere plagiaataffaires van Jan Siebelink (De overkant van de rivier, 1990) en van Adriaan van Dis (Het beloofde land) over Zuid-Afrika, verscheen van dit laatste boek in 1993 alsnog een uitgave met bronvermeldingen.

Nadat het stof was neergedaald, ontstond er een voorzichtige discussie in de letteren over de ethische grenzen tussen schrijven en overschrijven. In (historische) romans wordt achterin nu vaker een ‘Verantwoording’ opgenomen met bronvermelding van titels die bij het tot stand komen van de roman als naslagwerk werden gebruikt, of zelfs als belangrijke bron hebben gediend voor bepaalde romanfragmenten. Een kwestie van ethiek. Bovendien doet het niets af aan de schrijfkunst van de auteur. Immers de roman als geheel is – ondanks de vermelde bronnen – een oorspronkelijk product van de verbeelding. Sommige lezers vinden een dergelijke bronvermelding paradoxaal genoeg zelfs een aanbeveling: het is niet zomaar door de auteur verzonnen, het is nog waar ook.

De Möring-affaire dook jaren later nog eens op in een quizvraag in het tv-programma De Connaisseur, gepresenteerd door Ad ’s-Gravesande: Welke schrijver werd door zijn roman Het grote verlangen in 1993 beticht van plagiaat? Niemand wist het antwoord.

Vijftien jaar na verschijnen van Het grote verlangen, publiceerde Atte Jongstra in januari 2007 zijn door de literaire kritiek zeer geprezen roman De avonturen van Henry II Fix (Henry de tweede Fix). Onder historici (archivarissen) deed dit boek echter veel stof opwaaien. Was dit wel een roman? Was het wel een (auto)biografie? Had die Henry II Fix (1774-1847) wel echt bestaan? Of was Jongstra voor De avonturen van Henry II Fix uit plunderen gegaan bij andere schrijvers of historische figuren? Was hier geen sprake van plagiaat?

Het bleek een literaire grap. Jongstra maakt graag gebruik van archiefmateriaal, databanken, encyclopedieën en internet. Gegevens uit deze bronnen vormen vaak materiaal voor zijn boeken. In Zwolle wist men dat kennelijk niet, toen men hem de opdracht gaf als gastarchivaris uit de archivalia een tentoonstelling samen te stellen. In het Historisch Centrum Overijssel werd een vrijwel onbekende Zwollenaar aan het publiek voorgesteld: Henry II Fix. De tentoongestelde curiosa kwamen uit het Zwolse archief. De persoon Henry had Jongstra uit zijn duim gezogen en de levensgeschiedenis van Henry blijkt een samenraapsel van uiteenlopende historische documenten uit de periode 1774-1846 die Jongstra kocht op een veiling in Leiden.

Niet iedereen kon Jongstra’s werkwijze waarderen. Historica Arianne Baggerman beschuldigde hem in ‘Knippen en plakken’, Hollands Maandblad 8/9 2007, van plagiaat. ‘Waar ligt de grens tussen literair lenen en ordinair stelen?’ poneerde Baggerman onder de titel ‘Het knip- en plakwerk van Atte Jongstra’. ‘In hoeverre kunnen geschiedkundigen hun geloofwaardigheid “uitlenen” ter promotie van een literaire grap en ter promotie van zichzelf?’

Arjan Peters, literatuurrecensent van de Volkskrant begreep de grap wél (‘Grap van Atte Jongstra zonder humor ontleed’ – de Volkskrant 25 september 2007). In de roman komt de tegenstelling aan de orde tussen Fix en de dichter Reinvis Feith. Het blijkt een spel van fix en feit: fixatie, fictie en feiten. Het boek heeft nog wel op de longlist voor de AKO Literatuurprijs gestaan, maar de shortlist heeft het niet gehaald.