Op z’n hondjes

Samson leest een boek. Vindt ie moeilijk.

Door Lauren Fonteyn

Het is voor een Vlaming in Nederland vaak toch een beetje alsof je op een andere planeet bent. Zo is het hier bijvoorbeeld niet de gewoonte om je hand op te steken als je iets wil bijdragen tijdens een vergadering (je moet gewoon beginnen praten met vijf tegelijk en degene die het langst het luidst kan praten wint, denk ik). Maar laatst voelde ik me toch weer even dicht bij huis, toen er hier iemand over Albert Heijn begon, en ik zei: “Ten eerste t’is Albertooo”. Dat slaat natuurlijk nergens op voor iemand die niet opgegroeid is op de planeet Aarde met het legendarische kinderprogramma Samson & Gert. Gelukkig hebben veel Nederlanders toch tenminste dàt met me gemeen.

Het is inmiddels al bijna 30 jaar geleden dat het pratende hondje Samson en zijn baasje Gert voor het eerst op televisie verschenen (mijn botten begonnen spontaan te kraken toen ik dat las), wat betekent dat de eerste lichting Samsonkijkers inmiddels oud genoeg is om ’s nachts wakker te liggen van hoe verschrikkelijk raar dat programma was. Waarom laat Gert bijvoorbeeld niet gewoon snel even zijn deurbel repareren? Gaat het eigenlijk wel goed met Gert? Is hij misschien depressief omdat zijn vriendin Marlèneke vreemdgaat met Jean-Louis Michel? Is Marlèneke eigenlijk wel zijn vriendin, of moeten we de politie inlichten? En ook – en dit is waar ik dan weer een hele nacht over lig te piekeren – moeten we het niet eens hebben over hoe verschrikkelijk rot Gert en de mensen eigenlijk doen over de spraakvaardigheid van Samson?

Alberto Vermillcelli, zelfstandig kapper die worstelt met een eetstoornis. Wordt niet graag Albert genoemd.

Samson’s plobremen

Het overkomt mij wel eens dat ik een woord raar uitspreek, en ik vind het dan wel zo sympathiek als mijn gesprekspartner daar geen ding van maakt en niet “NEE, LAUREN” gaat roepen. Maar voor Samson is dat dus wel de harde dagelijkse realiteit. Zo wisselt Samson vaak klanken om en zegt hij plobreem in plaats van probleem (‘metathesis’ heet dat overigens), of gebruikt hij het woord zwaluwachtig als hij zenuwachtig is. Dat doet Samson zo vaak, dat het haast ongelofelijk is dat Gert daar echt. el. ke. keer. een opmerking over maakt, en niemand ooit eens een keer zegt “Ah Gert, hang toch eens niet zo de betweter uit man”, of, beter nog: “Nee man, het is niet PRO-BLEEM maar PLO-BREEM in het Samsons.”

Nu is het misschien wel zo dat Samson inderdaad Standaardnederlands probeert te spreken, en daarbij, net zoals de kleine kijkertjes thuis, wel eens de mist ingaat. Dat merk je bijvoorbeeld aan de manier waarop hij de mist ingaat: het gaat vaak om woorden die Samson niet kent. Toen Gert een keer enthousiast in een bermudabroekje de trap afliep en zei dat hij klaar was voor het uitstapje naar het subtropisch zwembad, vroeg een verwarde Samson meteen: “Moh seg Gertje, wat is dat zo, een ‘onlogisch zoutvat’?”. Maar het gaat dus niet altijd op zulke momenten mis, en dat is dus precies waar ik in mijn bed helemaal zwaluwachtig van lag te worden: zou het niet kunnen dat Samson, in huiselijke kring, helemaal geen standaardtaal probeert te spreken, maar gewoon z’n eigen variant van het Nederlands – het Samsons? Het Samsonisch? Het Samsoniaans? – gebruikt?

Het Samsons: niet fout, gewoon anders.

Een ‘taalfout’ is niet hetzelfde als pakweg een rekenfout. Als een hele gemeenschap mensen beweert dat 1 + 1 = 3, dan is dat niet plots ook een juist antwoord. U kan dat gemakkelijk nagaan door een knikkertje te nemen en daar dan nog een knikkertje naast te leggen: u zal dan twee knikkertjes hebben, niet drie. Als mensen in die gemeenschap daarentegen met enige regelmaat bijvoorbeeld bakkeljauw zeggen, dan kunt u niet met knikkertjes nagaan dat het overal ter wereld kabeljauw moet zijn, omdat er überhaupt niet echt een goeie reden is om in dat woord eerst een en dan pas een b te gebruiken. Maar hoe bepalen we dan of iets een taalfout is?

Om dat uit te leggen zijn de belangrijkste begrippen ‘gemeenschap’en ‘regelmaat’. Als we die begrippen even toepassen op de taal van Samson, dan merkt u bijvoorbeeld dat uitspraken als ‘onlogisch zoutvat’ eenmalig zijn, en dus gemakkelijk een verspreking genoemd kunnen worden. Maar toch is er bij Samson geen gebrek aan regelmaat: hij zegt vrijwel uitsluitend plobreem, en als Samson zijn gedachten onder woorden wil brengen leidt hij ze steeds in met de uitdrukking “Ik denk zo stil in mijn hoofd”. Zulke regelmatigheid zien we daarbij niet enkel in zijn woordenschat, maar ook in de manier waarop hij zinnen vormt. Samson leidt bijvoorbeeld vragen om verklaring altijd in met moh (een vorm van ‘maar’, alleen anders uitgesproken dan wanneer hij er twee zinnen mee verbindt):

  • “Moh meneer de burgemeester, en meneer spaghetti, willen jullie dan zo eigenlijk eens zeggen zo, wat zo heel droeverig is zo?”
  • “Moh seg hey mag die meneer Fred Kroket dan eigenlijk niet zo naar s… sp…, allé zo op reis gaan zo?” [Samson probeert hier Spanje te zeggen. Dat lukt hem om een of andere reden niet.]
  • “Moh Gertje waarom heb jij eigenlijk zo’n beetje een kort broekje aan zo?”

Daarnaast valt het ook meteen op dat Samsons zinnen zowaar volgepleurd zijn met het woordje ‘zo’. Hij gebruikt het niet alleen aan het einde van de vraag, maar ook zo op zo bijna elke andere plaats zo in de zin zo, zonder dat dat zo de betekenis van de zin zo verandert zo. Dat soort woordjes (ook wel  ‘stopwoorden’ genaamd) en de plaats waarop ze in de zin gezet worden, zijn vaak kenmerkend voor taalvarianten die op een bepaalde plaats of door een bepaalde sociale groep gesproken worden: zo heb je ‘zeg maar’ voor Nederlands Nederlands, ‘allez’ voor Vlaams Nederlands, en ook het veelbesproken gebruik van like door “like, these, like, young people from, like, California”. Kortom: regelmaat zat voor Samson. Het lijkt er dus op dat Samsons plobreem eerder is dat hij zijn variant van het Nederlands niet deelt met een gemeenschap van andere Nederlandstalige hondjes.

Op z’n hondjes praten

Engelstalige hondjes hebben daarentegen meer geluk. Hun versie van het Engels is inmiddels zo bekend dat we er een naam voor hebben: Doggolingo. Ze moeten wel eerst leren lezen en schrijven en een goede internetverbinding fixen, want Doggolingo (soms ook wel dog-speak of bork genaamd) komt vrijwel uitsluitend online in geschreven vorm voor.

Twee hondjes doen een praat.

Net als bij het Samsons, zijn er ook voor Doggolingo veel regelmatigheden op te merken. De woordenschat van het Doggolingo bestaat voornamelijk uit woorden voor soorten hondjes (want waar zou je het in godsnaam anders over willen hebben??) en de geluidjes die ze maken. Om die woorden te vormen wordt er een Engels woord, bijvoorbeeld dog, friend of pup, aangevuld en wat schattiger gemaakt met een bijvoegseltje als -o (doggo, frendo) of -er (pupper), soms met een extra –ino om aan te geven dat iets klein is (pupperino). Je kan hondjes overigens ook benoemen door wat te prutsen met bijvoeglijke naamwoorden – de pels van een pluizig hondje is fluffy, dus het hondje zelf is een fluffer of een floof, en Golden Retrievers en Windhonden of Tekkels zijn simpelweg golden bois en long bois. Verder is het meest opvallende kenmerk van Doggolingo dat er zo veel onomatopeeën bedacht zijn om hondengeluidjes na te bootsen: hondjes zeggen niet enkel bork, boof, woof (yep – drie soorten blaffen op z’n minst)maar ook blep, blop of mlem met hun tong. Oh, en, er wordt niet gevloekt in Doggolingo: als de hondjes heel erg schrikken of hun blijdschap niet kunnen onderdrukken, zeggen ze wel eens heck of heckin’ (een nettere versie van het taboewoordje hell) of flip (idem maar dan met fuck), maar erger dan zulke potvolkoffie-vloeken wordt het nooit.

En ook de grammatica van Doggolingo is wonderbaarlijk bijzonder in z’n eenvoud. Hondjes zijn het blijkbaar niet echt gewend om veel verschillende werkwoorden te vervoegen. Enkel het werkwoord be (‘zijn’) en do (‘doen’) worden vervoegd, maar andere werkwoorden gebruiken ze liever als naamwoord. Zo wordt een zin als ‘I am sleeping’ dan ‘am doing a sleep’, en ‘you are frightening me’ vaak ‘you do me a frighten’. Voor Nederlandstalige hondjes zoals Samson zou dat overigens ook goed werken: ze zouden zich dan bijvoorbeeld geen zorgen meer moeten maken over dt-regels, want ‘ik heb op je schoenen gekwijld’ wordt dan gewoon ‘ik heb een kwijltje gedaan op je schoenen’

Ik weet natuurlijk óók wel dat hondjes niet echt Engels of Nederlands kunnen schrijven of spreken (al vind ik dat vandaag nog steeds even jammer als 25 jaar geleden). Ik zit dus niet obsessief hondenplaatjes en Youtube-filmpjes van Samson te bestuderen omdat ik ooit hoop een gesprek met een hondje aan te gaan, maar wel omdat ik het erg interessant vind wat dit zegt over wat mensen over dieren denken. Het Samsons en Doggolingo zijn namelijk geen talen van hondjes voor hondjes: het zijn taalvarianten verzonnen door mensjes, voor mensjes, om weer te geven hoe zij denken dat hondjes Nederlands of Engels zouden spreken. Kortom, als Doggolingo en het Samsons vol ‘foutjes’ zitten, en daarom een beetje dommig en kinderlijk klinken, dan is dat omdat wij hondjes blijkbaar een beetje dom en kinderlijk vinden.

Moh seg Lauren, wat is dat zo een ‘belegiding’?

Laatst had ik het overigens nog met een vriendin van de planeet Nederland over de Wikipediapagina van Samson, waarop er staat dat Samson “niet zo heel goed Nederlands” spreekt.

“Ik vind dat nogal straf”, zei ik, “alsof je tegen René Magritte zou zeggen dat hij niet zo heel goed kan schilderen, gewoon omdat zijn werk niet op dat van Rembrandt lijkt”. Mijn vriendin knikte instemmend. 

“Inderdaad,” zei ze, “Samson zegt wel domme dingen maar dat is gewoon Vlaams, en ik vind dat dat ook gewoon moet kunnen”. 

Ik nam een slok bier, en dacht zo stil in mijn hoofd dat we het er maar een andere keer over moesten hebben.