Niet ’n quasi-geleerde beschaving, niet ’n politisch-kranterige koffiehuis-beschaving, niet ’n salonfrazen-beschaving

De Multatulileescursus (62)

– Multatuli had iets met stilstand. Al in Max Havelaar speelt hij ermee dat hij zijn held best een tijdje kan laten hangen om te gaan uitweiden over allerlei andere zaken. In de tweede helft van dit zevende deel van de Ideën, doet hij dat nog wat uitgebreider. Hij blijft de lezer maar plagen met de vraag of Wouter wel ooit in Haarlem zal aankomen en ondertussen gaat die Wouter steeds trager en trager.

– En uiteindelijk komt hij inderdaad niet aan. Althans, we hebben hiermee al het gepubliceerde werk van Multatuli gelezen. Wouter gaat niet verder, we blijven voor altijd met die vraag zitten.

– Maar die onderbrekingen worden ook wel een beetje afgezaagd.

– Vind je?

– Ja toch? Konden jullie die uitweidingen waarderen over hoe schrijvers uit alle tijden vooral elkaar overschreven in plaats van nu eens naar de werkelijkheid om hen te kijken en die te beschrijven?

‘De lezer begrypt wel dat zolang de onderwyzers in ’t mens-tekenen hun leerlingen naar papieren mannequins verwyzen (250) de concurrentie niet byzonder gevaarlyk worden zal voor iemand die zich toelegt op ’t boetseren naar levend model, en ik betuig daarom aan die vriendelyke hooggeleerden m’n oprechten dank.’

– Ja, dat hadden we natuurlijk ook allemaal al kunnen lezen toen hij Bilderdijk afserveerde.

– En veel puntiger.

– Ga toch weg – ook de late Multatuli blijft toch altijd de man van de spitse formuleringen:

De ware echte kunstkennis haalt parels en diamanten uit al wat oud, draderig, duister, versleten en ongenietelyk is.

– Wat ik heel curieus vind, en eigenlijk wel een studie waard, is hoe hij steeds bezwaar maakt als schrijvers de Muze aanroepen. Bij Bilderdijk vond hij dat belachelijk, bij Horatius begint hij er weer over. Dat is natuurlijk wel heel vreemd omdat hij zelf in al zijn werk het steeds over Fancy had.

’t Ligt nogal in de rede, vind ik, dat ik niet kan doen zonder Horatius, wat Horatius niet doen kon zonder muze. En wél is juist hy waard tot model te worden gekozen, hy die in z’n eigen werk zo duidelyk aantoont dat het niet te pas komt iets voort te brengen zónder model. Het aanroepen van die muze, byv. had-i van Homerus die, naar we letterkundiglyk vertrouwen, zo’n cordaten greep ook niet op z’n eigen houtje zal gewaagd hebben.

– Maar later wordt hij toch een stuk positiever over Horatius. Zoals hij ook Staring beschimpt om zijn navolgingen maar prijst om zijn Herdenking.

– De man werd op zijn oude dag nog mild.

– Ik houd het er toch echt op dat hij was uitgeschreven. Al kan ik niet verklaren waarom dat zo is. Wat jullie ook zeggen, ik vind die zevende bundel vrij krachteloos. Als hij nog een achtste had geschreven, had ik me misschien wel afgemeld.

– Het is in ieder geval psychologisch interessant dat als hij kennelijk zelf vastzit, andere schrijvers gaat verwijten dat ze vooral holle frazen produceren.

– Met als eigenaardig slotakkoord dat hij de Engelse schrijver Disraeli aanvalt om diens kritiek op de Nederlandse literatuur. Alsof die kritiek niet heel erg lijkt op wat hij er zelf over te zeggen heeft!

– Ik vind de passages die hij aan prostitutie wijdt anders behoorlijk intrigerend. Hij lijkt er echt mee te worstelen. Het is niet goed, allemaal, maar het is niet duidelijk aan wie je het moet wijten.

– En hij keert zich vooral tegen de hypocrisie van degenen die het afkeuren, namelijk iedereen:

Terugkeren op ’t pad der deugd? Maar, lezer, zet gy uw huis voor de vluchtelinge open? Uw huis, uw gezin, uw hart? Dit doet ge niet! Of meent ge aan uw voorgewend-padwyzerige verplichting voldaan te hebben, door op ’t een of ander ‘Asyl voor gevallen vrouwen’ te wyzen, inrichtingen die schimp en hoon uitschreeuwen tot in haar uithangbord toe?

– In jongere jaren zou hij ongetwijfeld zelf allerlei ‘gevallen vrouwen’ in huis hebben genomen of daar in ieder geval enorm over hebben opgeschept. Nu was hij natuurlijk even hypocriet als de lezer die hij berispte.

– Maar ook de hoeren zelf krijgen er van langs. Uiteindelijk lijkt hij hun slechte karakter de schuld te geven:

Wie verandering in dezen staat van zaken wil teweegbrengen, zou moeten zoeken naar middelen om snoeplust, pronkzucht en luiheid te genezen.

– Maar in ieder geval die luiheid wijdt hij net zo goed aan de hoerenlopers. Zij vervelen zich, ze zouden beter aan de arbeid kunnen gaan:

Waar zyn de Steenbeker Asylen voor ’t manvolk dat arm genoeg aan verstand en hart is, om tevreden te zyn met de genietingen die men in zo’n huis voor weinig geld kopen kan? Beschaving, beschaving! Niet ’n quasi-geleerde beschaving, niet ’n politisch-kranterige koffiehuis-beschaving, niet ’n salonfrazen-beschaving, niet de beschaving die heet bevorderd te worden door zeker soort van preuts-zedelyke boeken maar… de ware. Zy, die den lust inboezemt, en de bekwaamheid meedeelt, om genot te vinden in arbeid.

– Ja, ook als hij in zijn Wouter-verhaal een vrouw introduceert die als madam fungeert voor twee meisjes, schrijft hij:

Die koopwaar bestond in ’n tweetal… meisjes, neen – twee ‘meiden’ zeg ik ook niet graag – uit twee jeugdige vrouwspersonen dan, die ze door geschenken en de voorspiegeling van ’n lui leven tot zich had weten te lokken

– Alweer die luiheid, inderdaad. Prostitutie is luiheid, zo had ik het nog niet gezien. En vooral tegen die luiheid keert in ieder geval dit hele deel zich, dat is misschien wel het thema van dit laatste deel Ideeën:

De ware naam der vuile ziekte die ik bestryd, is armoed van geest, gecompliceerd met de zucht om zich als welvarend voor te doen, en by hen die haar opzettelyk en stelselmatig aankweken, nog bovendien met nyd.

– Het is wel enigszins ironisch dat hij zich tegen de luiheid keert terwijl hij zelf overduidelijk zo moe is.

– Ja, precies dat maakt dit deel volgens mij uiteindelijk toch interessant.

– Mannen! We hebben nu, zoals jij al zei, al het gepubliceerde werk gelezen. We zijn natuurlijk nog niet klaar, er volgen nog tien jaar van correspondentie en ik stel voor dat we ook nog wat andere dingen lezen.

– Ja, de biografie van Dik van der Meulen bijvoorbeeld, die staat op DBNL.

– Ja, bijvoorbeeld. Maar ik wilde eigenlijk voorstellen om eerst dit boekje Er is niets poëtischer dan de waarheid te lezen, waarin allerlei schrijvers uit de jaren tachtig van de twintigste eeuw hun visie geven op de grote schrijver..

– Toppie!

– ‘Toppie’?