Levi’s eerste Kerstfeest (1879)

Jeugdverhalen over joden (68)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Albertus Hardenberg (1833-1880)

Herkomst en drukgeschiedenis

Levi’s eerste Kerstfeest is geschreven door Albertus Hardenberg (1833-1880). Hardenberg was een leerling van Jan de Liefde (1814-1869) die in 1856 in Amsterdam de Vrije Evangelische Gemeente stichtte. Hardenberg volgde De Liefde op als ‘herder en leraar’ van de Vrije Evangelische Gemeente. Hij stond bekend als ‘een uitnemend Schriftkenner en Schriftuitlegger, doch zonder welsprekendheid’. Omdat er steeds minder mensen naar zijn preken kwamen luisteren, werd hij ontslagen. Hardenberg legde zich vervolgens toe op letterkundig werk. Daarnaast was hij werkzaam bij de drukkerij van de Weesinrichting in Nijmegen. Hardenberg leverde onder meer bijdragen aan Samuel, een orthodox-protestants jeugdtijdschrift, dat verscheen tussen 1857 en 1866.

          De eerste en tweede druk van Levi’s eerste Kerstfeest verschenen bij de ‘drukkerij der Weesinrichting te Nijmegen’. De daarop volgende vier drukken werden uitgegeven door P.J. Milborn in Nijmegen, in 1884, 1886, 1890 en 1898.

          In de samenvatting is geciteerd uit de vierde druk. In 1880, kort na zijn dood, publiceerde de Nijmeegse Weesinrichting een Bloemlezing uit de geschriften van wijlen A. Hardenberg. Daarin is Levi’s eerste Kerstfeest eveneens opgenomen. In 1903 werd Levi’s eerste Kerstfeest afgedrukt in De Grondwet, een Nederlandstalige krant die werd uitgegeven in de stad Holland in de Amerikaanse staat Michigan.

Uitgebreide samenvatting

Levi Nathans is het enige kind van Izak en Sara Nathans. Izak is handelaar in vodden en lompen. Ze wonen in een kleine stad, in een ‘niet aanzienlijke buurt’.

          Levi kan goed leren en zijn ouders besluiten hem op het gimnasie te doen. Zijn vader vindt dat Levi hatvekaat moet worden. ‘Dan kan ie pleiten voor de heeren van de rechtbank en moos verdienen as whater!’

          Levi’s komst op het gymnasium leidt tot onrust. ‘Op zekeren morgen vóór de les, waren de Latijnsche jongens erg oproerig. Er dreigde een opstand tegen den rector. Zij hadden namelijk vernomen dat er een Jodenjongen op de les zou komen. Dat was iets ongehoords in het kleine stadje.’

          Niemand wil naast Levi zitten (een jongen roept ‘Ik ben vies van een Jood’) en Levi wordt erg gepest. De jongens noemen hem mousie of mousje – een verbastering van smous, een scheldwoord voor ‘jood’.

          Alleen Anton van Meerten is aardig tegen Levi. ‘Houd maar moed; ik veracht je niet. Ik wil je liefhebben en helpen.’ Anton is de zoon van een rijke fabrikant. Zij zijn niet alleen ‘rijk naar de wereld, maar ook en bovenal rijk in God’, want zij geloven in Jezus, ‘de dierbare Heiland en Zaligmaker’.

          Aanvankelijk is Levi niet geïnteresseerd in Antons verhalen over Jezus, want hij veracht Jezus. ‘Dit kon de arme jongen niet helpen; het was de schuld van zijne ouders, en bovenal van den rabbi, die hem onderwezen had.’

          Anton legt uit dat hij Levi op school in bescherming heeft genomen uit liefde voor Jezus. ‘Dat ik u niet behandelde zooals de anderen deden, en dat gij in ons huis met vriendschap bejegend wordt, is enkel omdat wij de Heere Jezus begeeren te dienen. Omdat wij Hem liefhebben, daarom hebben wij ook de Joden lief.’

          Dit zet Levi aan het denken en aan de studie. Samen met Anton leest hij dagelijks een uur in het Nieuwe Testament (‘het boek, dat de rabbi hem zoo diep had leeren verachten’). ‘Gaandeweg klaarden de nevelen op voor het licht van het evangelie, en hij begon Jezus te zien en te kennen gelijk Hij waarlijk is.’

          Nadat Levi is gezien bij een kerkdienst, wordt hij door zijn vader aan de tand gevoeld. Levi bekent: ‘Vader, Moeder: ik heb den Messias gevonden! Jezus van Nazareth is de Messias!’

          Zijn vader eist dat Levi ‘de gehangene’ (de gekruisigde Jezus) vervloekt, maar Levi weigert. ‘Nu kende de woede van den vader geen grenzen meer. Als een tijger sprong hij op zijn zoon los, greep hem bij de keel, wierp hem op den grond, en trapte hem op de borst.’

          Levi krijgt een uur bedenktijd, maar als hij voet bij stuk houdt, wordt hij nogmaals mishandeld. ‘Andermaal werd hij hierop geslagen, doch hij bleef volharden. En toen niets hem kon doen wankelen, sleepte zijn vader hem bij de haren naar de voordeur, en wierp hem in de duisternis van den nacht op straat.’

          Levi gaat bij Anton wonen. De fabrikant doet zijn uiterste best om vader en zoon te verzoenen, maar als dat niet lukt voedt hij Levi op als zijn eigen zoon. ‘Levi werd geen “hatvekaat”, maar toch werd hij “ghroot”, gelijk zijn vader voorspeld had, doch geheel anders – en beter – dan deze het meende. Want Levi werd een prediker van het evangelie, en de Heer stelde hem tot grooten zegen voor velen.’

          Nadat Levi’s vader is overleden, komt zijn moeder bij hem wonen, want ook zij gelooft inmiddels dat Jezus de Messias is.

Doelgroep en receptie

Volgens advertenties van de ‘drukkerij der Weesinrichting te Nijmegen’ was Levi’s eerste Kerstfeest bestemd als kerstgeschenk op de zondagsschool. Ook uitgeverij P.J. Milborn beval het boekje op die manier aan (‘zeer geschikt ter uitdeeling’). In De Grondwet kreeg het in 1903 als ondertitel ‘Een kerstverhaal voor de jeugd’.

          Van Levi’s eerste Kerstfeest heb ik geen besprekingen gevonden.