Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling van ’t geringe

De Multatulileescursus (61)

Door Marc van Oostendorp

– Ik geloof dat ik vandaag voor het eerst moet zeggen: het viel me niet mee. Misschien doordat we nu toch al veertien maanden met Multatuli bezig zijn, maar ik vond het weinig geïnspireerd, de eerste helft van de zevende bundel Ideën.

– Ik denk echt dat het aan jou lag.

– Maar vonden jullie het gezeur over die familie Kopperlith en hun vreselijke kantoor dan niet vreselijk langdradig? Al die personnages lijken op elkaar, allemaal zijn ze eigenlijk alleen maar heel oppervlakkig, geen van hen springt eruit.

– Heerlijke satire! Het lijkt me de basis van vele generaties Nederlandse humor over het kantoorleven. Van De avonden via Het Bureau naar De verleden tijd van lijken, zal ik maar zeggen. Wel een dalende lijn, natuurlijk.

– Multatuli heeft je bezwaar in ieder geval voorzien. Hij schrijft:

Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder afwisseling rondleid op ’n tentoonstelling van nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak… op die nietigheden zeker niet, maar op m’n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling van ’t geringe.

– Ja, maar dat is toch een beetje flauw? Het realisme als excuus? Dat het hele leven uit onzin bestaat, betekent toch niet dat je dan in een boek ook nog allerlei onzin moet zetten?

– De kracht van de romanschrijver zit meer in het psychologische. Mij storen die passages over de Kopperliths niet zo, maar ik geef toe dat het verhaal wel weer veel sterker wordt als Wouter eenmaal alleen is. Het verhaal dat hij uit verkeerd begrepen ridderlijkheid zijn jas verkoopt om een nieuwe parasol te kopen voor de dame wiens parasol hij gebroken heeft, en daarna weer terugmoet om een nieuwe jas te kopen omdat hij eigenlijk niet zonder kan en sowieso niet weet hoe hij de brief moet schrijven waarin hij dat geld aanbiedt!

– Als essayist was Multatuli juist ook een voortreffelijk socioloog. Hij lijkt me bijvoorbeeld al diep in de negentiende eeuw het fenomeen van de bullshit job te hebben beschreven:

Intussen was Wouters verveling op ’t kantoor, op de zolders, en in ’t magazyn, niet gemakkelyk naar den eis te beschryven. Het pynlykste daarby was dat-i zich altyd moest aanstellen, alsof hy wat uitvoerde. Want m’nheer Wilkens beweerde dat er voor ’n jong-mens altyd iets te doen was: ‘leer dát van my!’

– Ja, de analyse is zelfs de moderne: bedrijven hebben het nodig om allerlei mensen in dienst te hebben die het vreselijk druk hebben met niets, en die ook niet iets voor zichzelf kunnen doen.

– Maar tot die sociologie behoren ook zijn beschrijvingen van Joden. In dit deel komen er zelfs twee voor: eerst moet Wouter voor zijn bazen naar de Amsterdamse Jodenbuurt om geld los te krijgen, en de tweede keer gebeurt die komische handel met een Haarlemse Jood. Hij had die arme Joden dan kunnen gebruiken als contrast met de poenerige Kopperliths, maar ook hier ziet hij eigenlijk alleen maar zwart,

– Eigenlijk zou Ewoud Sanders Woutertje Pieterse moeten opnemen in zijn serie Jeugdverhalen over Joden. Over de Jodenbuurt:

nog altyd zag men daar de orde of wanorde van ’n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor ’t zand der heide – want als hei vertonen zich die zandzeeën – vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers.

– Ik denk dat Douwes Dekker echt minstens licht depressief was in deze periode. Vandaar dat er zo weinig uit zijn handen kwam, dat hij de hele tijd ziek was, en dat wat hij wel schreef, zelfs voor zijn doen zo zwartgallig was. Vroeger zag hij in ieder geval nog als oplossing dat men hém de macht zou geven, nu was het allemaal onzin.

– Toch zijn er nog tal van fraaie psychologische observaties te vinden:

Oppervlakkige ziel-ontleders denken gewoonlyk veel te spoedig aan huichelary, wanneer zy iemand ongelyk zien aan zichzelf. Juist deze ongelykheid is by zeer velen de strenge consequentie van allergewoonste karakterloosheid.

– Ja, of de ook heel moderne gedachte van embodied cognition: het denken bevindt zich niet alleen maar op een abstract niveau, maar wordt sterk beïnvloed door het lichaam, bijvoorbeeld door de activiteit van dat lichaam:

Dat ons denkvermogen afhankelyk is van uitwendige invloeden, zou overigens kunnen blyken uit den gedachtenloop van iemand die in wakenden toestand gedroomd, gemymerd of gepeinsd heeft. Indien hy, na afloop der abnormale inspanning – welker graden van intensiteit door de drie gebezigde woorden: dromen, mymeren en peinzen nagenoeg bepaald worden – zich moeite geeft om de aanleiding tot z’n denken op te sporen, zal hy gewoonlyk ’n stoffelyk punt van uitgang ontmoeten. En ook op den loop onzer gedachten, op onze meningen zelfs, oefenen de voorwerpen die wy met de zinnen waarnemen, hun invloed uit.

– Weet je wat ik dan wel aardig vond? De juist weer sociologische beschouwingen over het hebben van ‘buitens’ door de hogere klasse. Hoe die buitens steeds dichterbij Amsterdam kwamen te liggen naarmate men zich écht verre reizen kon veroorloven: als je het je kunt permitteren om helemaal naar Italië te gaan, hoef je niet je buiten helemaal in Gelderland te hebben. Dat kan dan ook wel aan de Amstel liggen. En uiteindelijk zullen ze hun functie van statussymbool verliezen:

Mocht er soms onder m’n lezers ’n enkele zyn, die geen buitenplaats heeft, ik heb hem ’n aangename tyding mee te delen: de Buitens gaan de wereld uit!

– Interessant vind ik ook hoe hij dit verbindt aan kritiek op de Muiderkring van P.C. Hooft en de zijnen. Het Muiderslot was natuurlijk ook alleen maar een buiten en de vele gedichtjes en liedjes waarmee men elkaar daar vermaakte, daar sprak in zekere zin ook alleen maar verveling uit. Zo had ik dat nog nooit gezien, maar het is natuurlijk wel waar:

Wat er van de ‘verlustigingen’ op ’t Muider slot tot ons kwam, boezemt my geen hoog denkbeeld in van ’t zielevoedsel waarmee Hooft en z’n geestverwanten tevreden waren in hun ónverlustigde uurtjes. Ik weet zeer goed dat velen hierover anders denken of liever dat velen zich nog altyd opdringen, fyn geestelyk levensgenot te vinden in ’t gerymel en de redekavelingen van den ‘Muider Kring’. My komen al die dingen voor als monumenten van wansmaak, als noodkreten van allerdeftigst gedragen verveling, en ik voed hoop dat eerlang ’t nu opluikend jong geslacht hieromtrent van myn mening wezen zal.

– Ik geloof dus niet dat het ooit zover gekomen is, als ik jou zo hoor.

– Zijn we klaar met deze bundel?

– Het spijt me voor jou, maar allesbehalve! Volgende week meer!

Afbeelding: Het kantoor van de handelaar in katoentjes A. van de Velde, Singel 134, waarschijnlijk model van de Fa. Ouwetyd en Kopperlith in Woutertje Pieterse. (Foto E. van Moerkerken, 1954, uit W.F. Hermans’ De raadselachtige Multatuli).