‘Een Kersavond’ (1873)

Jeugdverhalen over joden (67)

Door Ewoud Sanders

Door Karl Gustav Nieritz (1795-1876)
Uit het Duits vertaald door Pieter Beets Pz. (1827-1900)

Karl Gustav Nieritz, de auteur van ‘Een Kersavond’ [1], groeide op in de arbeidersklasse in Dresden in Duitsland. Zijn vader leidde een armenschool, zijn moeder was dochter van een bakker.

Nieritz gaf ook les op de armenschool en probeerde met literair werk zijn magere salaris aan te vullen. Tussen 1830 en 1872 publiceerde hij zo’n vijftig boeken, vooral voor de jeugd. Daarnaast schreef hij voor allerlei tijdschriften.

Het verhaal ‘Een Kersavond’ is zeker drie keer in het Nederlands gepubliceerd: in 1873 in een vertaling van Pieter Beets Pz. in Keizer Joseph II, en andere belangrijke verhalen aan de geschiedenis ontleend [2]. En daarna in De barmhartige spoorwegwachter en Ziet op de vogelen: twee verhalen voor de jeugd (eerste druk 1877, tweede 1889) [3]. In de samenvatting is geciteerd uit de oudste vertaling.

Overigens was de schrijfwijze Kersavond voor Kerstavond in de negentiende eeuw niet ongebruikelijk; het is dus geen tikfout.

Samenvatting

Het is half december 1859 en het heeft zo hard gesneeuwd dat het de baanwachter Martin wordt ontraden om het spoor te gaan controleren. Een trein met een sneeuwploeg heeft het spoor immers al sneeuwvrij gemaakt. Maar de godvruchtige Martin gaat er toch op uit. ‘Men heeft mij dezen post toevertrouwd, men betaalt mij daarvoor en als oud gediende wil ik tot aan mijn einde mijn plicht getrouw vervullen.’

Martin heeft grote zorgen. Zijn vrouw is langdurig ziek geweest, wat hoge kosten met zich heeft meegebracht en daarom hebben zij bij de bank honderd gulden moeten lenen. Ze hebben geprobeerd om de betalingstermijn te verlengen, maar de bankier wil daar niets van weten. Als ze niet kunnen betalen, komt met kerstmis een deurwaarder hun enige koe halen.

Martin ontdekt dat er een boom op het spoor is gevallen. Hij weet de machinist van de trein net op tijd te waarschuwen, terwijl hij met zijn hele gezin bezig is om de boom te verwijderen. Vanuit de trein komt ‘een Heer met een gouden bril op den neus en een fijn besneden gezicht, ’t welk zijn oosterschen afkomst verried’ hen helpen. Ook de bankier van wie Martin geld heeft geleend, blijkt in de trein aanwezig te zijn. Hij helpt even mee, maar wil al snel weer de trein in. Een collega van Martin spreekt de bankier aan over de honderd gulden schuld.

De ‘Heer met een gouden bril op den neus’ – die naamloos blijft – heeft dit gesprek gehoord. Hij doet navraag naar baanwachter Martin die met zijn kordate optreden een groot treinongeluk heeft voorkomen.

Op kerstavond laat deze heer een groot pakket bij het huis van de baanwachter bezorgen. De begeleidende brief begint als volgt: ‘Beste Martin! In den nacht van den 16den op 17den December, gaf een heer, die een gouden bril droeg, u de hand, terwijl hij zeide: Ik zal dat oogenblik niet vergeten. Die heer ben ik en nu wil ik mijne belofte vervullen. (…) God heeft mij rijkelijk met aardsche goederen gezegend, ik geloof dat ik daarvan geen beter gebruik maken kan, dan door, met een klein gedeelte daarvan, een arm huis gezin gelukkig te maken. Daarom zend ik u, uwe vrouw en uwe kinderen een kersgeschenk van honderd gulden, opdat gij uwe koe zoudt kunnen behouden. De bankier N., in de residentie, zal u elk jaar op den 16den December een gelijke som betalen, ter herinnering aan dien dag.’

De brief eindigt met de volgende woorden. ‘Ik wensch u een genoeglijke kerstmis, en hoop dat het uwe vreugde niet zal verstoren, wanneer een Israëliet u zijne dankbaarheid bewijst. Vraag niet naar mijn naam. Wanneer gij mij echter dankbaar zijn wilt, prent uwe kinderen dan in, dat zij geen onderscheid in geloofsbelijdenis moeten maken, want wij zijn allen kinderen van God.’

Martin beeft van ontroering, zijn vrouw huilt. ‘Als dat een Israëliet is, dan wenschte ik wel dat alle christenen zulk een edele daad ten voorbeeld namen!’

Het pakket bevat onder meer kleding, mutsen en halsdoeken, een horloge en speelgoed. ‘Hoort, mijne liefsten’, besluit baanwachter Martin, ‘van heden af is het mijn wensch, dat ieder uwer den Israëliet in zijn gebed gedachtig zij; al weten wij zijn naam niet, God, de Alwetende, wel, en Hij zal de beden, welke dankbare harten voor het welzijn van onzen edelen weldoener tot Hem opzenden, niet onverhoord laten.’

Doelgroep en receptie

Van dit jeugdverhaal heb ik geen besprekingen gevonden.


[1] De schrijfwijze Kersavond voor Kerstavond was in de negentiende eeuw niet ongebruikelijk en is dus geen tikfout. Het geeft de uitspraak van dit woord weer. Zie bit.ly/wnt-kersavond.

[2] P. Beets, Keizer Joseph II, en andere belangrijke verhalen aan de geschiedenis ontleend: voor de Nederlandsche jeugd bewerkt (Gouda, 1873), pp. 58-89.

[3] Beide drukken verschenen bij G.B. van Goor in Gouda.

Afbeelding: De ‘barmhartige spoorwegwachter’ Martin voorkomt een treinongeluk. Een van de passagiers, een rijke Israëliet, toont hem daarop zijn dankbaarheid. Illustratie uit Keizer Joseph II, en andere belangrijke verhalen aan de geschiedenis ontleend (1873).