Dit is het einde van de zin hè?

Door Lucas Seuren

Het einde van de zin is in gesproken Nederlandse een ware schatkamer van bijzondere taalfenomenen. Het is de plek waar we inhoudelijk niks meer toevoegen aan de zin, maar waar we signalen geven over hoe de zin “pragmatisch” begrepen moet worden. De vorige twee blogs heb ik of niet en offuh besproken, twee signalen die niet per se prototypisch zijn voor het einde van zinnen. Dus ga ik nu maar eens in op een van de meest voorkomende woordjes, en daarmee een van de meest lastige woordjes in het Nederlands in: .

Standpunten

is een van de meest voorkomende woordjes in het Nederlands. Desondanks is er niet veel over geschreven. In 2010 stelden drie onderzoekers van het Max Planck Instituut in Nijmegen, Enfield, Brown en De Ruiter, dat spreker gebruiken om instemming uit te lokken met een standpunt. Ze geven voorbeeldjes als de volgende:

  • Kan je beter dezelfde dan kopen hè?
  • Jij op D66 ofzo hè?
  • Dat is toch wel een beetje op tijd hè?
  • De vorige keer was het juist tegenovergesteld hè?

Ze contrasteren dat met toch – waar ik in een volgend blogje op terug zal komen – dat volgens hen ook om instemming vraagt, maar dan met een feitelijke situatie. Het is een analyse die ik vaak een beetje onbevredigend. Ik kwam te veel voorbeelden tegen waarbij het niet van toepassing leek.

Positie

Een opmerkelijk verschil tussen de gespreksdata die Enfield en collega’s gebruiken voor hun analyse en mijn corpus, is de frequentie waarmee gebruikt wordt. In twee uur telefoongesprekken vonden Enfield en collega’s 95 gevallen van , wat suggereert dat sprekers bijna elke minuut zeggen aan het einde van de zin. In mijn corpus van telefoongesprekken moest ik echt op zoek naar voorbeelden, en er waren gesprekken zonder één geval. Ik heb geen flauw idee waarom dat is. Wellicht moet ik mijn transcripten gewoon verbeteren, maar het is ook goed mogelijk dat we met een ander soort informele gesprekken te maken hebben.

Maar nog belangrijker dan de frequentie waarmee voorkomt is de “positie” waarin sprekers zeggen. Met positie bedoel ik het volgende. Gesprekken zijn voor een groot deel opgebouwd uit “gepaarde handelingen” zoals vragen en antwoorden, acties die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn: een vraag heeft een antwoord nodig. We zeggen dan dat de vraag de eerste positie in de sequentie bezet, het antwoord komt in de tweede positie.

Reageren

Op basis van de betekenis van die Enfield en collega’s geven zou je zeggen dat alleen in de eerste positie gebruikt kan worden. Door een zin te beëindigen met maak je duidelijk dat er instemming gewenst is, dat de hoorder moet bevestigen wat je net gezegd hebt. De -zin komt in eerste positie, de instemming in tweede positie. Denk aan een sequentie als de volgende:

Fleur: Dat is zondag hè?

Loes: ja.

Maar in mijn data is het niet altijd gemakkelijk om te bepalen in welke positie de -zin zich bevindt. Sterker nog, de -zin lijkt vaak juist een reactie: het komt in de tweede positie. Sprekers reageren ermee op een standpunt van de ander. Sequenties als de volgende twee komen dus regelmatig voor:

Marie: Daar is een zwembadje bij.
Stella: Chill!
Marie: Chill hè?

Anne Oh dat is die van Margriet.
Tina: Oh mooi.
Anne: Leuk hè?

In het eerste voorbeeldje geeft Stella aan dat ze het chill vindt dat Marie een zwembad bij haar hotel geeft en in het tweede voorbeeldje vertelt Tina dat ze de kast van Margriet mooi vindt. Beide nemen dus een standpunt in, en daarom reageert de ander met een -zin, en zowel Stella als Tina reageren daar niet meer op. De -zin lokt dus geen overeenstemming uit, maar lijkt overeenstemming uit te drukken. En dit doen sprekers in mijn data regelmatig.

Geen reactie

Sterker nog, sprekers gebruiken vaak zonder dat ze de hoorder ruimte geven om te reageren. In de volgende sequentie gebruikt Tina twee -zinnen waarin ze een standpunt formuleert over hoe opa reageert op goed nieuws, en in beide gevallen biedt ze Anne geen tijd om te reageren, voor ze doorgaat. Anne reageert pas als Tina moeite lijkt te hebben om het juiste woord te vinden en vult dat aan met pessimistisch (de getallen duiden seconden stilte aan).

Anne: Dat komt natuurlijk omdat hij goed nieuws heeft gehad.
Tina: Ja, dat is altijd zo hè? Dan- en vooral bij opa hè? (0.2s) Hij is zo iemand die dan eh (0.3s)
Anne: Ja, altijd zo lekker pessimistisch.

Wat doen sprekers dan met als ze er geen reactie mee uitlokken? Ik denk niet dat per se één functie heeft, maar dat het afhangt van de positie waarin sprekers het gebruiken. Als sprekers gebruiken in eerste positie dan zoeken ze niet alleen overeenstemming, ze suggereren dat het standpunt gedeeld is. Wie zegt impliceert dat de sprekers evenveel weten.

Origineel

We met reageert daarentegen laat zien dat hij of zij niet simpelweg instemt met het standpunt van de ander, maar dat het een standpunt is dat hij of zij op voorhand al had. We weten uit onderzoek dat mensen er vaak waarde aan hechten om duidelijk te maken dat ze hun eigen mening hebben, dat ze zich niet laten leiden door hun gesprekspartners. Wie met reageert zegt in zekere zin “ik heb hetzelfde standpunt, maar ik had dit standpunt al voor jij het verwoordde: je vertelt me niks nieuws.” Anders gezegd, we laten met -reacties zien dat we belang hechten aan originaliteit en geen meelopers zijn.

Die functie van is denk ik afgeleid van de functie van als uitlokker van instemming. Maar het is lastig om dat taalhistorisch uit te zoeken. Maar het feit dat we veelal de intuïtie hebben dat we gebruikken om om instemming te vragen, suggereert dat dat de hoofdfunctie is. Voor meer sluitend bewijs is een meer uitputtende studie van nodig: zo zie ik in uitleggesprekken zoals in het onderwijs of bij arts-patiëntgesprekken dat vaak vooraan de zin staat. Het betekent daar zoiets als “zoals je weet,” maar ik ben niet bekend met studies die daarnaar onderzoek hebben gedaan. Duidelijk lijkt me wel dat voor een woord dat zo prominent is in het Nederlands is als er nog heel wat uit te vogelen is.

Foto: Fauxels, Pexels