De poëzierecensent en de dichter zelf

Door Marc van Oostendorp

De poëzierecensent is de lantaarnopsteker van de eenentwintigste eeuw: uit nostalgie houdt een enkele publicatie er nog een op na, maar een werkelijke functie hebben ze niet meer. De tijd dat de discussie over ontwikkelingen in de dichtkunst deel uitmaakte van de bredere discussie over ontwikkelingen in de wereld ligt achter ons. 

Wat blijft zijn wat wanhopige pogingen om de wonderlijke wereld van de poëzie te vertalen naar modern idioom: dat van de de voetbalcommentator. Dat van De Wereld Draait Door.

Vaak komt het voor (vaker dan vroeger, denk ik, maar ik heb het niet nageteld) dat zo’n recensie eigenlijk slechts één gedicht bespreekt uit de bundel. Dat gedicht staat er dan ook bij afgedrukt, zo doet de krant ook nog zelf aan de verbreiding van de poëzie. Vaak is zo’n gedicht eigenlijk wel genoeg, als lezer krijg je wel een beeld van wat voor werk dit is. Maar er moet nu eenmaal ook een bespreking bij, die dus zo’n beetje in eigen woorden naverteld wat er in het gedicht staat.

Dat is wat er over is van de recensent: een soort tv-voetbalcommentaar. Je kunt zelf ook wel zien wat er gebeurt, maar er moet nu eenmaal ook iemand zijn die zelf vertelt wat de speler in het veld, wat de dichter eigenlijk dacht.

In het najaarsnummer van Awater 2019 staat een bespreking door Rob Schouten van een gedicht van Elma van Haren. Ik neem het hier min of meer willekeurig, niet omdat ik speciaal iets tegen Schouten heb; wel lijkt mij zijn recensiepraktijk illustratief voor de gemiddelde Nederlandse discussie over hedendaagse dichtkunst.

Van Harens gedicht heeft ’25 november’, komt uit haar bundel Het schuinvallend oog, en begint zo:

Onder zwarte wolken ben je naar de stad gefietst voor een nieuw
gezicht uit potjes. Dit is geld uitgeven aan een ander, een
vreemder lichaam, waarlangs nieuwe kleren eleganter zullen vallen.
Dit is dus jouw poging

ter bezwering van een winter.

En dit is wat Schouten erover te zeggen heeft:

In de eerste ‘strofe’ (ik had bijna geschreven: alinea, want zijn dit wel strofes?) beschrijft Van Haren hoe een ‘je’, waarachter we wel de dichter zelf mogen vermoeden maar dan toch met een zekere afstand, bij dreigend weer naar de stad fietst om make-upspullen te kopen, ten einde zichzelf een nieuw imago aan te meten.

Dit is, inderdaad, het proza van de voetbalcommentator: zich voortdurend buiten adem voortslepend van bijzin naar bijzin. En dan de inhoud! Hoezo ‘mogen’ we van Schouten achter de aangesproken persoon in dit gedicht ‘de dichter zelf’ vermoeden, en wat schieten we op met die toestemming? Het mogen verraadt natuurlijk dat Schouten ook wel weet dat het niet bon ton is om ‘de dichter zelf’ in de analyse te betrekken, de autonomie van het gedicht weet je wel, maar dat hij het ook niet kan helpen.

Niemand leest meer een gedicht dat niet over de dichter zelf gaat.

‘De dichter zelf’, wie of wat dan ook moge zijn, bevindt zich wel ‘op enige afstand’, vermoedelijk een interpretatie van het gebruik van de tweede persoon je. Dat doet wel de vraag rijzen wie er dan eigenlijk aan het woord is, want als dat ‘de dichter zelf’ is, dan kan die zich natuurlijk niet op enige afstand bevinden. Zij is het immers zelf. Mogelijk denkt Schouten dat de dichter naar zichzelf kijkt, maar dan is nog steeds onduidelijk wat we eigenlijk opschieten met die gedachte.

Hoe dit ook zij, fietst de ‘een ‘je” volgens Schouten ‘bij dreigend weer’ naar de stad ‘om make-upspullen te kopen’, vermoedelijk parafrases van ‘onder zwarte wolken’ en ‘voor een nieuw gezicht uit potjes’ van Van Haren. Die zwarte wolken en dat dreigende weer lijken me inderdaad min of meer synoniemen van elkaar, maar hoe zit dat met dat “nieuwe gezicht uit potjes”? Dat is toch geen normale manier om het hebben over makeup? Schouten gaat er nog even over door (in nog steeds ademloos proza):

Over dat ‘nieuw gezicht uit potjes’ moest ik wel enige tijd nadenken, het zal om allerlei schoonheidsverhogende zalfjes en crèmes gaan, maar het is duidelijk dat het kunstmatige producten betreft. Dat heel ‘ander, vreemder lichaam’ wijst er trouwens ook op dat het geen natuurlijk proces is: ‘je’ wil er anders uitzien.

Hier wordt geloof ik het probleem van dit soort recensie, van bijna alle poëzierecensies die er tegenwoordig geschreven worden gedemonstreerd: de recensent gaat er op niets af van uit dat de tekst als je ‘enige tijd nadenkt’ kan worden teruggebracht tot een doodnormale gebeurtenis. Wanneer een dichter zegt dat je naar de stad bent gefietst voor een nieuw gezicht, bedoelt ze natuurlijk niet dat er iemand een nieuw gezicht heeft gekocht, maar dat ze zelf een crème is gaan kopen.

Het is de stijl van De Wereld Draait Door: alles wat niet over de alledaagse beslommeringen van bekende mensen gaat is de moeite niet waard. Ook de grootste en diepste inzichten, ook de wonderlijkste gebeurtenissen in de geschiedenis van het universum, leggen het af bij die beslommeringen.

Aangezien dit de normale manier is om gedichten te bespreken, is het niet wonderlijk dat de meeste mensen denken dat de poëzie iets is voor krankzinnigen die bereid zijn om eindeloos te puzzelen om een alledaagse mededeling te destilleren uit een hoop wartaal.

Nu valt niet te ontkennen dat er van de weeromstuit ook dichters zijn die inderdaad op de door deze kritiek vereiste manier te werk gaan en braaf hun mededelingen versleutelen in raadseltaal die je na ‘enige tijd nadenken’ kunt ontsluieren. Ik weet niet of Van Haren tot die categorie behoort, en het doet er ook niet toe. Ik heb de indruk dat iedere dichter op dit procrustesbed wordt gelegd. Dat betekent voor sommigen dat hen wordt verweten te weinig dichterlijk te zijn en voor anderen dat ze te duister zijn. Schouten maakt Van Haren overigens allebei de verwijten. Hierboven vroeg hij zich al af of ‘dit wel strofes’ zijn; en later beklaagt hij zich over haar ‘duisterheid’.

Een onderdeel van het misverstand is dat iemand die iets schrijft daarmee een mededeling doet over ‘de werkelijkheid’. Dat iemand die de zin ‘ik fiets naar de stad voor makeup-spullen’ ons iets te melden heeft over de fysieke werkelijkheid. Terwijl al die zaken – de fiets, de stad, de makeup-spullen – natuurlijk alleen maar bestaan in de taal. De werkelijkheid schijnt te bestaan uit quarks of snaren of weet ik wat, volkomen ongrijpbare dingen, in ieder geval. We kunnen daarom alleen praten over dingen die we in ons hoofd hebben en die hooguit in een heel schimmig verband staan tot die werkelijkheid.

Makeupspullen zijn alleen makeupspullen omdat jij en ik het erover eens zijn dat dit spullen zijn die je op je toet kunt smeren, niet omdat er ook maar iets in de werkelijkheid buiten ons is dat de verschillende makeupspullen met elkaar verbindt.

Nu moeten we het meestal doen met die onduidelijke relatie tussen taal en werkelijkheid. Ik zeg tegen jou dat ik naar de stad ben gefietst voor make-up en niet alleen geef ik daarmee te kennen dat ik erop vertrouw dat jij bestaat en naar mij luistert, maar ik probeer ook op de een of andere manier onze handelingen te coördineren, bijvoorbeeld door ervoor te zorgen dat jij weet dat het niet nodig is om óók een tocht naar de drogist te maken. We zitten in zulke situaties voortdurend gevangen in een ingewikkelde kring van de fysieke werkelijkheid waar we niets van weten, ons eigen denken dat een raster van cognitieve beperkingen over die werkelijkheid legt dat in ieder geval hanteerbaar is maar waar andere mensen geen toegang toe hebben, en de taal waarmee we die gedachten via een stelsel van sociale conventies proberen te coördineren.

Ik geloof dat poëzie de plaats is waar we uit die kring kunnen treden, precies omdat de werkelijkheid er niet meer toe doet. Dat is anders bij fictie waar in ieder geval nog wordt gepretendeerd dat er een werkelijkheid is, al lijkt die niet per se op de onze. Het is ook anders dan bij de taal van profeten of gekken, want die hebben het contact met de werkelijkheid niet zozeer verloren als wel een totaal andere manier gevonden om dezelfde chaotische werkelijkheid te ordenen.

Een gedicht doet geen mededeling aan een specifiek iemand, integendeel, treedt in gedichten vaak iets of iemand op die je in het dagelijks leven niet eens kunt aanspreken (‘O Muze’, ‘O stokje van Oldenbarneveldt’, of: ‘je‘). Ook degene die aan het woord lijkt in een gedicht is notoir juist helemaal niet aan het woord. Een gedicht is een brok taal zonder afzender of ontvanger, en zonder claims over de werkelijkheid. Een gedicht waarin de onsterfelijkheid van Mao Zedong wordt bezongen is van alles, maar geen leugen.

Het is kennelijk lastig om deze houding aan te nemen, klaarblijkelijk ligt de verleiding altijd op de loer, zeker in een tijd waarin de poëzie moet worden verdedigd tegen alles wat het voetbalcommentaar zo aantrekkelijk maakt. Blijkens zijn woordkeus wéét Schouten wel dat het onzin is om de je met ‘de dichter zelf’ te vereenzelvigen, maar hij kan het toch niet laten.

Dat je ooit ergens een gezicht in potjes zou kopen, nee, dat kan niet. En dus moet de tekst vertaald worden naar het dagelijks leven, naar de ‘werkelijkheid’ en onze pretentie dat we begrijpen wat die is.

Dit stuk verscheen eerder in het prachtige gloednieuwe literaire tijdschrift De Honingzaag. Neem een abonnement!
Illustratie: Nathan Forget, Wikimedia