Wie pleit er voor exclusief Engelstalig hoger onderwijs in Nederland?

Door Carel Jansen

“Dit boek is geboren uit verzet”, aldus de eerste zin van de inleiding van de vorige week verschenen bundel Against English. Behalve de inleiding bevat het boek 26 sterk uiteenlopende, deels al eerder verschenen bijdragen van auteurs als Özcan Akyol, Ad Verbrugge, Annette de Groot en van drie van de samenstellers, Lotte Jensen, Niek Pas en Daniël Rovers. Lichtvoetige teksten van bijvoorbeeld Japke-D. Bouma en De speld worden afgewisseld met serieuzer bedoelde essays en artikelen van wetenschappers die zich uitspreken over het gebruik van het Engels in Nederland, en dan vooral in het hoger onderwijs. Anders dan de titel suggereert, blijkt in de tweede zin van de inleiding dat het verzet waarover ook op de achterflap over wordt gesproken niet gericht is tegen het gebruik van het Engels op zichzelf, maar tegen het overmatige gebruik van die taal. “Het doel van dit boek is een discussie op gang te brengen”, zo schrijven de inleiders iets verderop, en ze willen ook laten zien welke “reële gevaren er kleven aan onze massale toevlucht tot het Engels”. Gelet op de vele geluiden in de media – onder meer afkomstig van de samenstellers zelf – over het toegenomen gebruik van het Engels als onderwijstaal in Nederlandse universitaire en hbo-opleidingen, is de aanname dat er over dit onderwerp nog een discussie op gang zou moeten komen, nogal bijzonder. Ook bij minister Van Engelshoven zijn de signalen op dit punt intussen immers duidelijk aangekomen.

Nieuwe wet in aantocht

In een brief aan de Tweede Kamer van 6 september verwijst de minister naar het interdepartementale beleidsonderzoek Internationalisering van het (hoger) onderwijs dat op haar verzoek is uitgevoerd. Uit dat onderzoek concludeert ze dat er waarborgen moeten komen om negatieve effecten tegen te gaan van de internationalisering op de onderwijskwaliteit en de toegankelijkheid van het onderwijs en ook op het behoud van Nederlands als wetenschapstaal. Om dat te bereiken heeft ze op 9 september een voorstel voor een wet Taal en Toegankelijkheid naar het parlement gestuurd. 

In haar brief stelt de minister dat anderstalig onderwijs van meerwaarde kan zijn als het onderzoeksveld sterk anderstalig en internationaal is georiënteerd, of als die andere taal gangbaar is in het werkveld waar de studenten voor worden opgeleid. Daar is weinig tegenin te brengen. Maar tegelijk signaleert ze dat het Nederlands als taal in het hoger onderwijs en als cultuur- en wetenschapstaal nog niet goed beschermd is. Daarom wil ze nagaan hoe gegarandeerd kan worden dat er voor elke opleiding of groep van opleidingen altijd afdoende Nederlandstalig aanbod blijft. Ze wil ook beter waarborgen dat instellingen hun taalkeuzes weloverwogen en op basis van de juiste gronden maken. Als een andere voertaal dan het Nederlands voor een nieuwe opleiding naar het oordeel van de NVAO (het Nederlands-Vlaamse accreditatieorgaan) geen meerwaarde heeft, zal die taal voor de opleiding niet worden geaccepteerd. De inspectie moet erop toe gaan zien dat die bepaling ook echt wordt nageleefd. Ook voor bestaande Engelstalige opleidingen wil de minister de ruimte hebben om, geadviseerd door de NVAO, te beslissen dat die weer in het Nederlands moeten worden aangeboden. Met dit alles wil de minister inzetten op meertaligheid als alternatief voor volledig anderstalig onderwijs, zo schrijft ze letterlijk. 

Tegen het Engels?

Waarom dan nog een Against English-bundel, met als uitsmijter van de inleiding en als laatste zin op de achterflap “Weg met het Engels! Leve het Nederlands!”? Zelfs Ad Verbrugge, namens de BON (Beter Onderwijs Nederland) toch een fervent tegenstander van verdere verengelsing van het onderwijs, schrijft in zijn bijdrage dat het belang van het Engels als internationale wetenschapstaal niet ter discussie staat, net zo min als de noodzaak om studenten voor te bereiden op een globaliserende wereld. J.Z. Herrenberg laat expliciet weten dat hij niet tegen het Engels is, maar voor het Nederlands. In het verlengde daarvan uit Ger Groot zijn twijfels over Against English als titel waaronder dit boek verschijnt, al heeft hij begrip voor de “provocerende portee ervan”. Maar het doelwit is, zo voegt hij daar direct aan toe, niet het Engels zelf maar de “hoogmoedige imperial overstretch ervan”. Tegen het Engels als lingua franca heeft hij weinig bezwaar.

Dat de titel van de bundel provocerend en ongenuanceerd is, werd bij het verschijnen ook volmondig erkend door samenstellers, de neerlandica Lotte Jensen en de historicus Niek Pas. In een interview in de Volkskrant van 18 november wordt de titel van de bundel ironisch genoemd, maar stelt Lotte Jensen ook dat “nuance soms niet meer [helpt]”, en dat er “met de vuist op tafel geslagen [moet worden]”. Maar met welk doel moet die tafel dan zo hard geraakt worden? Moet het Engels volgens de bundelsamenstellers echt uit het hoger onderwijs gaan verdwijnen? Dat niet, zo laat Niek Pas aan het eind van het interview weten: “Natuurlijk is het Engels belangrijk, maar daar gaat het nu even niet om”. Dat de bundelsamenstellers kennelijk vrezen voor een situatie waarin het hoger onderwijs in Nederland alleen nog maar Engelstalig zou zijn, kan worden opgemaakt uit de tamelijk cryptische formuleringen waarmee Niek Pas zijn betoog vervolgt: “Wij staan voor pluriformiteit, en dan vooral niet in het Engels. Dat monolithische sluit juist af in de breedte. Wat je allemaal mist als er alleen maar Engels is!” 

Tegen welke windmolens wordt hier ten strijde getrokken? Wie pleit er voor exclusief Engelstalig hoger onderwijs in Nederland? In elk geval niet de minister van Onderwijs. Met haar streven naar meertalig hoger onderwijs – in principe in het Nederlands en bij aangetoonde meerwaarde in het Engels of in een andere vreemde taal –  bevindt de minister zich in goed gezelschap, ook onder de auteurs die in deze bundel aan het woord komen. Zo spreekt de in Engeland opgeleide neerlandicus en hebraïcus Matthew Wells zich in zijn bijdrage expliciet uit voor meertaligheid als de beste manier om ons bij elkaar te brengen. Ook de door bundelsamensteller Lotte Jensen geïnterviewde Spaans- en Nederlandstalige letterkundige Yolanda Rodríguez Pérez laat zich positief uit over meertaligheid. Uit haar mond tekent Lotte Jensen op dat er een “fantastische rijkdom voor het oprapen [ligt] als je je beweegt in meerdere talen en tussen culturen.” En in een tussen-haakjesfragment in de inleiding laten de samenstellers zelf ook even vallen dat ze behalve voor het Nederlands ook willen pleiten voor meertaligheid.

Reële gevaren?

Maar misschien ging het de samenstellers wel vooral om de risico’s voor de onderwijskwaliteit die Engelstalige opleidingen met zich meebrengen, de “reële gevaren” uit de inleiding dus die zouden “kleven aan onze massale toevlucht tot het Engels”. Over die vermeende massale toevlucht stellen Lotte Jensen en haar zus, filosofe Stine Jensen, in hun bijdrage aan de bundel dat die leidt tot een inhoudelijke verschraling van het hoger onderwijs en tot een devaluatie van het Nederlands. Die ongenuanceerde stellingname staat op gespannen voet met een van de conclusies die in 2017 werden getrokken door een commissie van de KNAW (Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen) die een verkenning uitvoerde over de taalkeuze in het hoger onderwijs. In het rapport van die commissie staat dat Engelstaligheid niet ten koste hoeft te gaan van onderwijskwaliteit en daaraan zelfs een positieve bijdrage kan leveren. Volgens de commissie is het ook moeilijk om in algemene zin te zeggen of een Nederlandstalige, een Engelstalige of een meertalige opleiding het best voorbereidt op de arbeidsmarkt. Zeker gelet op het feit dat een van de samenstellers van de bundel, Lotte Jensen, zelf deel uitmaakte van deze KNAW-commissie, is het bevreemdend dat ze nu zo onverdeeld negatief oordeelt over het gebruik van het Engels in het hoger onderwijs. 

Van belang is hier de kanttekening van de KNAW-commissie dat een goede taalvaardigheid van zowel studenten als docenten een vereiste is voor de kwaliteit van het onderwijs. Daar heeft de commissie ongetwijfeld gelijk in. Annette de Groot laat in haar bijdrage aan de bundel overtuigend zien dat een matig ontwikkelde vreemde-taalvaardigheid met een beperkte woordenschat schadelijk is voor het leerproces in een hoger-onderwijscontext. Maar ook al valt een volstrekt gebalanceerde meertaligheid zoals Annette de Groot dat noemt, voor de meeste taalgebruikers niet te bereiken, aan een te laag niveau van de vreemde taal valt wel degelijk iets te doen. Niets, behalve dan misplaatste zuinigheid, verhindert universiteiten en hogescholen om hun docenten en studenten alleen dan aan Engelstalig onderwijs deel te laten nemen als ze aantoonbaar op het hoogst haalbare niveau vaardig zijn in die taal. Voor docenten zou dat het near native C2-niveau moeten zijn zoals dat in de Europese Raad is bepaald; voor studenten kan allicht worden volstaan met één niveau daaronder, C1 dus. 

Dat van docenten ook daadwerkelijk het C2-niveau kan worden geëist, laat de praktijk zien aan de Nijmeegse Letterenfaculteit waar Lotte Jensen zelf werkzaam is. Het is jammer dat ze daar in de bundel geen melding van maakt, en dat in verschillende bijdragen wordt gesuggereerd dat het Engels, in de gedaante van  het Globish in het Nederlandse onderwijs bijna per definitie onder de maat is. Als er niet genoeg in de taalvaardigheid wordt geïnvesteerd, kan die onwenselijke situatie zich inderdaad voordoen. Maar zoals in Nijmegen wordt gedemonstreerd, hoeft van ondermaats Engels geen sprake te zijn, en kan van docenten worden geëist dat hun Engels aantoonbaar op C2-niveau ligt. Maar dan moeten de bestuurders van universiteiten en hogescholen wel bereid zijn om in de buidel te tasten. Hun niet-Engelstalige docenten zullen op cursus moeten, en als die cursus niet leidt tot het noodzakelijke niveau kunnen ze gewoon niet voor de klas. En studenten met een te laag niveau in de taal van het onderwijs zullen van dat onderwijs uitgesloten moeten worden tot ze een adequaat niveau hebben bereikt. De kost gaat ook hier voor de baat uit. Bestuurders die met goede argumenten, die ook als zodanig worden erkend door de NVAO en het ministerie, kiezen voor anderstalig onderwijs zullen ervoor moeten zorgen dat de taal geen obstakel is voor kennisoverdracht. En bestuurders die, ook met goede argumenten, kiezen voor Nederlandstalig onderwijs, hebben vanzelfsprekend ook de plicht om toe te zien op voldoende taalvaardigheid van docenten en studenten.

Eisen aan uitdrukkingvaardigheid 

Op het punt van de taalvaardigheidseisen in het hoger onderwijs bevat het voorstel voor de nieuwe wet Taal en Toegankelijkheid een opmerkelijke koerswijziging, waarover in Against English helaas met geen woord wordt gerept. Misschien kwam de brief van de minister van 6 september daarvoor te laat en was de bundel toen al ter perse, al meldt Ad Verbrugge in zijn bijdrage dat “er binnenkort nieuwe wetgeving komt”. Maar ook in het Volkskrant-interview van 18 november zwijgen de samenstellers in alle talen over de expliciete aandacht die de minister ruim twee maanden eerder al besteedde aan de ‘Nederlandse uitdrukkingsvaardigheid’ van studenten. In haar brief en in de toelichting bij haar wetsvoorstel signaleert ze dat daarover in de samenleving en de politiek zorgen bestaan. Omwille van de binding van het hoger onderwijs met de lokale en nationale samenleving wil ze een nieuwe invulling geven aan de al bestaande wettelijke verplichting voor de instellingen om de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands te bevorderen. Daartoe kondigt ze een Algemene Maatregel van Bestuur aan waarin die inspanningsverplichting wordt geconcretiseerd, en wel in een norm voor uitdrukkingsvaardigheid die in het hoger onderwijs moet gaan gelden. Samen met de sector, zo schrijft de minister, gaat ze in de loop van 2020 bepalen hoe die norm geconcretiseerd moet worden, niet alleen aan de universiteiten maar ook in het hbo. Maatwerk, differentiatie, onder meer tussen Nederlandstalige en anderstalige studenten, en ook handhaafbaarheid noemt ze daarbij van belang. In verband met dat laatste wordt ook de inspectie bij het overleg betrokken. 

De normen die de minister voor zich ziet, zullen niet alleen worden ingevoerd voor Nederlandstalige studenten die een Nederlandstalige opleiding volgen, ze zullen ook gaan gelden voor Nederlandstalige studenten die deelnemen aan een Engelstalige universitaire of hbo-opleiding. 

Nog opmerkelijker misschien is dat ook van niet-Nederlandstalige studenten voortaan wordt geëist dat ze zich in het Nederlands uit kunnen drukken. Ook voor hun vaardigheid in het Nederlands moeten er volgens de minister normen komen, al zullen die vanzelfsprekend milder zijn dan bij Nederlandse studenten. Ook buitenlandse studenten zullen dus voortaan aan eisen aan hun Nederlands moeten voldoen als ze een diploma willen halen in ons hoger onderwijs – of dat onderwijs nu in het Engels of in het Nederlands wordt aangeboden. Zo wil de minister bereiken dat buitenlandse studenten een betere kans hebben om actief deel te nemen aan, en zich te verbinden met de Nederlandse samenleving en arbeidsmarkt. Dat deze maatregel tot een terugloop kan leiden van het aantal instromende internationale studenten, is een neveneffect waar de minister zich van bewust is maar dat ze voor lief neemt. 

Ongenuanceerd en feitelijk onjuist

Waarom wordt er door Lotte Jensen, Niek Pas en de andere samenstellers van Against English nog steeds over dit wetsvoorstel gezwegen? Wat verleidt hen ertoe om te blijven kiezen voor provocatie en tegen nuance? Is het niet de dure plicht van wetenschappers om altijd de nuance zoeken, en het ook uitdrukkelijk melden als ze die gevonden hebben?

En wat moeten we met een drogreden als de volgende? Van bijdrageschrijver Jelle van Baardewijk wordt in de inleiding zonder kritiek de stelling overgenomen dat “met het Anglo-Amerikaans ook denkramen de oceaan oversteken die de Nederlandse politieke cultuur infecteren”? Als het al waar zou zijn dat beide verschijnselen zich tegelijkertijd voordoen, wat rechtvaardigt dan de conclusie dat het een de oorzaak zou zijn van het ander?

Tegen Engels of voor meertaligheid?

Is de achterliggende gedachte bij dit alles dat zo de goede zaak, die van het Nederlands in het hoger onderwijs, het best gediend wordt? Met permissie, ik geloof er niks van dat het zo werkt. Ongenuanceerdheid, provocatie en drogredenen mogen dan middelen zijn waarvan sommige politieke leiders zich wensen te bedienen, in een serieuze discussie over het talenbeleid in het Nederlandse hoger onderwijs maken ze geen indruk en zijn ze gewoon ongepast. 

Van meer wijsheid zou het getuigen als er steun wordt uitgesproken voor meertaligheid in het Nederlandse hoger onderwijs, met extra zorg, aandacht en liefde voor het Nederlands. Dat is precies wat de minister met haar nieuwe wetsvoorstel voorstaat. Op 11 december wordt dat voorstel besproken in de Tweede Kamer. Als het daar positief wordt ontvangen, breekt de volgende fase aan. Dan moeten er concrete invullingen komen voor de normen zoals die in de nabije toekomst gaan gelden voor het Nederlands van alle hoger-onderwijsstudenten, ook die uit het buitenland. Inbreng van experts uit onderwijs en wetenschap met een goed oog voor de argumenten voor meertaligheid maar ook voor de consequenties daarvan is daarbij dringend nodig. Laten we hopen dat die experts gevoed worden door liefde voor het Nederlands en enthousiasme voor samenwerking over lands- en taalgrenzen heen, en niet door een ongenuanceerde en contraproductieve stellingname Against English.

In een eerdere versie van dit stuk stond een alinea over Jensens bewering dat men in Nijmegen geen eindwerkstuk over Vondel kan schrijven in het Engels. Die situatie bleek gecompliceerder: voor werkstukken in colleges binnen de desbetreffende Engelstalige research master gold dat inderdaad; afstudeerscripties mochten en mogen nog steeds wel in een andere taal dan het Engels worden geschreven.

L. Jensen, N. Pas, D. Rovers en K. van Gulik (Red.) (2019). Against English: Pleidooi voor het Nederlands. Amsterdam: Wereldbibliotheek.