Wie echt voor meertaligheid is, sluit geen talen uit

Door Joris Oddens

Gisteren was de presentatie van Against English, een pleidooi tegen de dominantie van het Engels in Nederland. De samenstellers van deze bundel keren zich tegen ten minste drie verschillende vormen van verengelsing: het oprukken van het Engels in het publieke domein, de verdringing van het Nederlands als onderwijstaal en de druk om in de wetenschap alleen nog in het Engels te publiceren.

De initiatiefnemers van Against English zeggen zich te verzetten tegen het Engels omdat zij geloven in meertaligheid. Lotte en Stine Jensen geven in NRC Handelsblad (‘Je moerstaal vraagt om onderhoud’, 16 november 2019) het voorbeeld van hun eigen meertaligheid: omdat zij er van jongs af aan toe zijn aangespoord te investeren in het Deens, hun tweede taal, vinden zij het onbegrijpelijk dat Nederlanders zo weinig geven om het Nederlands. Zij zien hier echter iets belangrijks over het hoofd. Zij hebben zelf thuis het privilege genoten van een meertalige opvoeding, maar veel Nederlanders worden thuis geheel Nederlandstalig opgevoed. Voor deze Nederlanders is meertaligheid veel minder bereikbaar, terwijl je in een ideale wereld iedereen een meertalig bestaan zou toewensen: wetenschappelijk staat vast dat meertaligheid zelf allerlei cognitieve voordelen heeft. Het maakt daarbij niet uit welke talen worden geleerd.

Het wringt daarom dat wie zegt voor meertaligheid te zijn, tegelijkertijd een kruistocht voert tegen het Engels. Natuurlijk is een goede beheersing van het Nederlands belangrijk. Ook zijn er allerlei goede redenen om de verwerving van andere talen meer te stimuleren, het Frans en Duits voorop. Maar als we toe willen naar een inclusieve meertalige samenleving, moeten we ons niet tegen het Engels keren, want voor veel Nederlanders ligt juist een goede verwerving van die taal binnen bereik.

Daarvoor is echter wel een geregelde actieve blootstelling aan die taal nodig. Jensen en Jensen geven als voorbeeld van verengelsing in het publieke domein dat ze op een terras niet eens meer in het Nederlands worden aangesproken. Je kunt het principiële standpunt innemen dat iedereen in Nederland de Nederlandse taal machtig behoort te zijn, maar waarom zien we zulke ontmoetingen niet als een kans? De essentie van meertaligheid is dat je uit je talige comfortzone wordt gehaald en in de soms ongemakkelijke worsteling met een andere taal een talige lenigheid ontwikkelt; liefst gebeurt dat al tijdens de kindertijd, maar we zijn nooit te oud om te leren.

Een fundamenteel probleem van het pleidooi tegen Engels is dat het ervan uitgaat dat meer Engels noodzakelijkerwijs leidt tot een slechtere beheersing van het Nederlands. Dit is niet hoe het talig brein werkt. Het is heel goed mogelijk om meerdere talen vloeiend te beheersen en er zijn genoeg voorbeelden van geslaagde meertalige samenlevingen in heden en verleden. Dit is ook waarom we moeten waken voor ongenuanceerd verzet tegen Engels in de wetenschap. Natuurlijk moet bij bepaalde opleidingen, zoals Nederlands, geschiedenis en filosofie, het Nederlands primair de voertaal blijven. Uiteraard is het verkeerd als Engels alleen gekozen wordt om buitenlandse studenten aan trekken. Het spreekt ook vanzelf dat studenten niet gebaat zijn bij docenten die in steenkolenengels college geven. Tegelijkertijd gelooft niemand dat het Nederlands in de zeventiende eeuw verarmd is doordat Latijn de academische taal was. Ook de Nederlandse geleerden van toen beheersten deze Europese lingua franca niet perfect, maar ze switchten wel moeiteloos tussen verschillende talen.

Er wordt nu veel geklaagd over de mate waarin studenten het Nederlands zouden beheersen, maar vijftig jaar geleden was het met dit niveau echt niet veel beter gesteld. Daarentegen is het Engels van studenten en docenten zeker wel beter dan ooit tevoren, net zoals dat van andere universitair geschoolde Europeanen trouwens. Met de grote maatschappelijke uitdagingen waarvoor we met zijn allen staan, is een gemeenschappelijke taal geen overbodige luxe. Dit geldt ook voor het Engels als publicatietaal. Ik houd me zelf bezig met de geschiedenis van Nederland. In dit veld is het cruciaal om onderzoeksresultaten in het Nederlands te publiceren, voor een Nederlandstalig publiek. Ik zal dit dan ook altijd blijven doen, maar ik publiceer óók in het Engels, omdat ik wil bijdragen aan een internationaal debat. Zowel de Nederlandstalige als de Engelstalige publicaties worden er uiteindelijk beter van dat ik in meerdere talen publiceer. Wie zich durft in te laten met een andere taal, gaat daardoor ook zijn eigen taal beter beheersen.

Joris Oddens is onderzoeker Nederlandse geschiedenis aan de Universiteit van Padua en verbonden aan het NL-Lab van het KNAW Humanities Cluster, waar onderzoek wordt gedaan naar Nederlandse cultuur en identiteit. Een kortere versie van deze tekst verscheen op 23 november 2019 in de brievenrubriek van NRC Handelsblad.