Voor wie kwaad wil

Foute boeken? Uit de kast (3)

Door Nico Keuning

De schrijver en dichter Gerrit Krol – tevens computerdeskundige ‘in dienst van de Koninklijke’ Shell – had al een indrukwekkend literair oeuvre op zijn naam staan toen hij in 1990 Voor wie kwaad wil publiceerde, ‘een bespiegeling over de doodstraf’. Krol zet vraagtekens bij de rechtvaardigheid bij de strafbepaling als het gaat om de afweging ‘in de keus tussen consideratie met de verdachte en rechtvaardigheid tegenover het slachtoffer’.

Krol is vanuit zijn christelijke opvoeding een schrijver met een geweten.; goed en kwaad, misdaad en straf spelen in zijn oeuvre een belangrijke rol. Maar hij is tevens een wiskundig, mathematisch denker, die denkt in tegenstellingen die elkaar in evenwicht houden door elkaar op te heffen: ‘Wie met opzet onschuldigen heeft gedood verdient – dat is de consequentie – geen ander lot dan die dood te delen. En wie daarvoor wegloopt verdient nochtans dezelfde dood.’ In zijn essay van dertig jaar geleden toont Krol aan hoe scheef naar zijn idee de verhouding dader – slachtoffer in de (Nederlandse) rechtspleging is. Maar wat in de rechtspraktijk onrechtvaardig is, zet Krol recht in zijn romans. In fictie.

Toen Krol als jonge werknemer van Shell in Amsterdam woonde, werd er in de stad een meisje vermoord. Krol heeft de moord verwerkt in de roman De weg naar Sacramento (1977) die hij later omwerkte in De weg naar Tuktoyaktuk (1987), ‘roman en essay’. De moord op Angela K. is als motief in de latere roman gehandhaafd. Krol heeft in werkelijkheid het pand van de moord bezocht en zich afgevraagd hoe de moordenaar naar binnen is geklommen. In De weg naar Tuktoyaktuk schrijft hij: ‘Al een paar weken liep ik met een krantenknipsel op zak van de vermoorde Angela K. Foto van het knappe meisje plus de prikkelende wetenschap dat het lot blind is. Gewurgd met de draagriem van haar eigen gitaar door een man die via het slaapkamerraam naar binnen was gekomen.’

Ook in ander literair werk van Krol komt het thema misdaad en straf veelvuldig aan de orde. Behalve in de genoemde romans is het Kwaad tevens het dragend thema in Scheve levens (1983), Maurits en de feiten (1986), Middletons dood (1996) en De vitalist (2000). In Maurits en de feiten zit Maurits wegens moord achter de tralies en denkt na over zijn daad: ‘Als ik God was zou ik zeggen, jongen, je hebt een mens gedood, dat wil ik je vergeven, daar kun je mee in de hemel komen. Maar als je daarna jezelf niet hebt gedood, zal ik het je niet vergeven.’ Maurits is schuldig, hoezeer de psychiaters en hulpverleners ook op hem in praten: ‘Als ik een eind aan haar leven heb gemaakt, is er niets rechtvaardiger dan dat er eind wordt gemaakt aan dat leven van mij.’

Krol is een man van tegenstellingen die elkaar opheffen. Een ‘tegenwicht’ om het evenwicht te bewaren of te herstellen. In De vitalist heeft Johan zijn Barbara vermoord, maar hij wordt vrijgesproken, omdat ze niet hebben kunnen bewijzen dat hij schuldig is. Dat houdt echter niet in dat hij onschuldig is. ‘Geen schuld zonder straf, dus dat de straf nu uitbleef of zelfs werd opgeheven, dat ging in tegen zijn [Felix, NK] gevoel voor rechtvaardigheid: “ Wie brokken maakt draait op voor de gevolgen. Is er sprake van dood, of dood door schuld, dan moet er sprake zijn van een straf die erg dicht bij deze dood in de buurt komt.’

Omdat de maatschappij niet adequaat straft (het evenwicht tussen dader en slachtoffer is verstoord, uit evenwicht) straffen de moordenaars in de romans van Krol zichzelf (of de schrijver maakt een eind aan hun leven zoals in De weg naar Sacramento). Johan uit De vitalist pleegt aan het eind van de roman zelfmoord door de zee in te lopen. ‘Hij verdronk.’ Het was de enige mogelijkheid om van zijn schuld af te komen. Eindelijk gerechtigheid, volgens Krol, want als de hoofdpersoon verdronken is, loopt hij samen met (de vermoorde) Barbara de zee weer uit: ‘ Schat, daar zijn de poorten van het paradijs.’

Als rechtvaardigheid in de werkelijkheid niet bestaat, schept Krol zijn eigen (roman)wereld waarin hij zijn waarheid spreekt, recht spreekt. Allemaal fictie, waarin de wiskundige Krol ervoor zorgt dat alles klopt, dat tegenover elke min een plus staat. Maar dat schrijven voor Krol niet louter een literair spel is, blijkt uit zijn behoefte zich ook buiten de wereld van de roman uit te spreken over de doodstraf. En eenmaal buiten de oevers van de fictie getreden, wordt hij door een groter publiek gehoord (de kracht van het woord wordt bepaald door het aantal mensen dat naar je luistert). Niet alleen de doodstraf is onmenselijk, ook de langdurige vrijheidsstraf is onomkeerbaar, zegt Krol, ‘in bijzonder als men tijdens zijn gevangenschap overlijdt.’ Dat gebeurt nogal eens in overvolle gevangenissen in landen waar de doodstraf onder aanvoering van Amnesty International is afgeschaft. Zelfs gevangenen met een korte vrijheidsstraf lopen de kans door honger, ziekte, uitputting of doodslag in de gevangenis vroegtijdig aan hun eind te komen.

In Vrij Nederland (5 juni 2004) zei Krol: ‘Ik ben niet categorisch voor de doodstraf, noch rabiaat tegen.’ Hij wil er vrijelijk, in alle nuances over kunnen praten en schrijven, als iemand die nadenkt; als een schrijver met een geweten. Het slot van Voor wie kwaad wil luidt: ‘De tijd dat we vreemden verachtten en als barbaren beschouwden omdat we hun taal niet verstonden, ligt al lang achter ons. Het enige wat ons nog rest is de barbaarse schreeuw van het slachtoffer tot ons door te laten dringen. Dan pas zijn we echt beschaafd.’ Voor wie kwaad wil is vooral een pleidooi voor het slachtoffer.

‘Wat is er in hem gevaren?’ vroeg S. Montag (ps. H.J.A. Hofland) zich af in de NRC van 22 september 1990. ‘Wat is er met hem gebeurd? Is hij in zijn kinderjaren door een fietsendief gebeten? De laatste beslissende maatstaf met behulp waarvan je kunt bepalen of iemand tot je vrienden zou horen, of al onherroepelijk bij de vijand is, betreft zijn mening over de doodstraf. Wie voor is, deugt niet.’

Nee, Krol is niet door een fietsendief gebeten. Na afloop van de toekenning aan Krol van het eredoctoraat aan de Vrije Universiteit, op 21 oktober 2005, vroeg criminoloog en Volkskrant-redacteur Chris Rutenfrans (de Volkskrant, 29 november 2013) waar Krols preoccupatie met misdaad en straf vandaan kwam: ‘Bent u soms ooit slachtoffer geworden van een misdrijf? Of is uw vrouw of uw dochter zoiets overkomen?’

‘Nee,’ antwoordde Krol. ‘Het is meer dat ik niet uitsluit dat ik zelf tot iets dergelijks in staat ben.’