Het Schoolvak Nederlands 2019

Een verslagje

Door Henk Wolf

Elke herfst organiseert een universiteit of hogeschool het congres Het Schoolvak Nederlands, “de HSN” voor ingewijden. Afgelopen vrijdag en zaterdag was hogeschool Windesheim in Zwolle de organisator. Door de opzet kan elke deelnemer maar een fractie van alle lezingen en workshops meemaken, dus de ervaringen die mensen opdoen als ze ernaartoe gaan, kunnen sterk uiteenlopen. Ik was in elk geval erg enthousiast over wat ik heb gehoord en gezien. Hierbij een kort verslagje.

Josée Coenen is de schrijfster van het boek De bovenkamer, dat kinderen in de basisschoolleeftijd kunnen gebruiken om inzicht in zinsbouw te krijgen. Ze durft de traditionele schoolontleding grotendeels los te laten en hanteert een semantische indeling van woorden en woordgroepen die allemaal een eigen kleurenkaartje krijgen. Door met zinnen te spelen, kunnen kinderen bijvoorbeeld spelenderwijs ontdekken dat in mededelende hoofdzinnen het tweede zinsdeel altijd een werkwoord is. Ik vond het een ontzettend gedurfd, interessant en sympathiek initiatief. Ik weet alleen niet of, zoals de schrijfster hoopte, de opgedane ontleedvaardigheid ook getransfereerd wordt naar de taalvaardigheid van niet-Nederlandstalige leerlingen. Het zou interessant zijn als daar iemand onderzoek naar zou willen uitvoeren.

Soms doen je collega’s prachtige dingen waar je nauwelijks weet van hebt. Dat toonden Maaike Pulles en Janke Singelsma van mijn eigen NHL Stenden Hogeschool aan. Ze hebben met een basisschool in Leeuwarden waarop veel buitenlandse leerlingen zitten een project op poten gezet waarin elk kind z’n thuistaal of -talen op een kaart of poster presenteert. Ik schrok er wel een beetje van dat onderwijzers zo’n project heel vernieuwend vinden en dat het op scholen een uitzondering is dat de thuistaal aandacht krijgt. Veel onderwijzers blijken helemaal niet te weten wat hun leerlingen voor moedertalen hebben.

Taalkundige Jenny Audring uit Leiden vertelde hoe het voornaamwoordelijk systeem in het Nederlands in een overgangsfase zit: in het verleden was het grammaticaal geslacht van woorden een belangrijk criterium voor de keuze van het voornaamwoord dat ze kon vervangen, maar dat is (al heel lang) aan het veranderen naar een systeem waarin bezieldheid het voornaamste criterium wordt. Wie het oude systeem gebruikt, zegt van een boek: “Het ligt op de tafel”, wie het nieuwe gebruikt: “Hij ligt op de tafel”. Het was geen nieuw verhaal voor me, maar ik merkte in de loop van de dag dat verschillende leraren Nederlands Jenny d’r ontdekkingen in hun eigen taaldidactiek gebruikten. Judith Steenge en Suzanne de Kleyn gaven daar in hun presentatie blijk van.

Gijs Leenders is leraar Nederlands en onderzoeker in Utrecht. Hij pleit voor een uniformere grammaticale terminologie in het onderwijs, zodat de leraar Nederlands niet hele andere termen gebruikt dan z’n collega’s die Duits, Frans of Engels geven. Ook pleit hij voor een meer semantische uitleg van ontleedtermen. Hij gaat onderzoeken of zo’n aanpak ook de prestaties van leerlingen bij de taalvakken verbetert. Erg interessant!

Alles wat Jimmy van Rijt, taalkundedocent bij de lerarenopleiding Nederlands van hogeschool Fontys, doet, is interessant. Hij is een van de grote vernieuwers van het ontleedonderwijs in het hoger onderwijs. In het verleden heb ik al interessante ideeën van hem gelezen over het verbeteren van het onderwijs in zinsbouw, nu deed hij met Ilona Dols verslag van een onderzoekje dat ze samen hebben uitgevoerd bij leerlingen die ontdekkend leerden hoe woorden in het Nederlands zijn opgebouwd. Ze hoopten dat de leerlingen door dat inzicht beter gingen spellen, maar het bleek dat hun spelvaardigheid juist lager was dan  bij een controlegroep. Peter Arno Coppen, ook zo’n interessante vernieuwer van het taalbeschouwingsonderwijs, merkte op dat het onderwijs de kinderen blijkbaar wel had beïnvloed en dat het grote aantal spelfouten dat ze maakten er ook op kon wijzen dat ze nog in een beginfase van het leren zaten, waarin ze door onzekerheid relatief veel fouten maken. Hij ried ze aan om de taalvaardigheid van de kinderen na een paar maanden opnieuw met die van een controlegroep te vergelijken.

Mijn eigen praatje ging over de vernieuwing van het ontleedonderwijs bij de lerarenopleiding Nederlands aan NHL Stenden Hogeschool. Ik heb de ezelsbruggetjes en trucjes aan de kant gezet en probeer van ontleden echt taalbeschouwing te maken, waarbij het plakken van etiketten op woorden en zinsdelen minder belangrijk is dan het doorkrijgen hoe zo’n zin nou wordt opgebouwd.