Taal krijgt zijn autoriteit van buiten

Door Marc van Oostendorp

Het komt slechts zijdelings aan de orde in het artikel dat de Australische taalkundige Ingrid Piller schreef voor het Journal of Sociolinguistics: het failliet van de gedachte dat je met taal je autoriteit kunt opbouwen. Het is een oud idee, dat ten grondslag ligt aan de klassieke retorica én aan veel latere analyses. Maar het stort volledig in elkaar wanneer we het succes bezien van de Amerikaanse president Donald J. Trump.

Er zijn wel mensen die proberen allerlei standaard retorische technieken toe te passen op zijn taalgebruik om daar dan zijn overtuigingskracht op zijn publiek mee te verklaren, maar mij heeft dat nooit overtuigd.

Vlak na zijn verkiezing schreef ik dat al over de framing-theorie: die zegt dat mensen de waarheid in een bepaald licht plaatsen wanneer ze iets zeggen. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat vvd-politicus Klaas Dijkhoff door gebruik te maken van de wachtgeldregeling een grote graai doet uit de staatsruif of dat hij gebruik maakt van uitgesteld salaris. Dat zijn allebei feitelijk correcte beschrijvingen, maar ze hebben verschillende implicaties.

Maar bij Trump gaat dat allemaal niet op, want in zijn communicatie lijkt de eeuwige zoektocht naar de waarheid verlaten. Als hij Dijkstal was zou hij bijvoorbeeld eerst zeggen dat hij inderdaad dat geld ontving, en het de volgende dag ontkennen, vervolgens roepen dat Lodewijk Asscher schandalig veel wachtgeld ontvangt, en dan weer dat Asscher een loser is omdat hij het wachtgeld niet durft aan te nemen. En dit alles zonder zelfs maar de suggestie te wekken dat je zelf weet dat dit alles niet tegelijkertijd waar kan zijn.

In het artikel van Piller zien we een ander voorbeeld van hoe de retorische theorie zijn waarde verliest in het tijdperk van Trump. Je bouwt ook geen autoriteit op met taal, maar omgekeerd: als je eenmaal autoriteit hebt kun je je alles veroorloven. Nadat Trump een keer tweette over ‘the constant negative press covfefe’, ontspon zich tijdens een persconferentie het volgende tafereel:

Reporter: Do you think people should be concerned that the president posted somewhat of an incoherent tweet last night, and that it then stayed up for hours?[Press Secretary]: Uh, no.
Reporter: Why did it stay up so long? Is no one watching this?
[Press Secretary]: No, I think the president and a small group of people knew exactly what he meant.
[Reporters speaking all at once]
Reporter: What does covfefe mean?
Reporter: What does it mean?
Reporter: What does the president mean?
Reporter: What is covfefe

De cruciale zin hier is ‘de president en een kleine groep mensen wisten precies wat hij bedoelde’: wat goed en effectief taalgebruik is, dat maakt de inner circle zelf wel uit.

Het is natuurlijk een verschijnsel dat eigenlijk zelf alweer zo oud is als de retorica. De adel die vroeger in Nederland net als de arbeidersklasse sprak van we motte dat doen en ijskast zei in plaats van het ‘burgerlijke’ koelkast. Juist door dingen te doen die voor bangere zielen onaanvaardbaar zijn, laat je zien wie er eigenlijk de macht heeft.

Piller citeert in dit verband de onontkoombare Franse socioloog en denker Pierre Bourdieu die stelde dat ‘taal krijgt zijn autoriteit van buiten’.

Foto: Michael Vadon, Wikimedia