als je weet waar ik ben zoek me dan

In memoriam Wim Klooster (1935-2019)

Door Guido Leerdam

Op 15 september overleed Wim Klooster, emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, op 84-jarige leeftijd, na een kort ziekbed. In de verschillende obits zijn kwalificaties te lezen als “beminnelijk”, “bedachtzaam” (toen hij tijdens college eens – naar de smaak van het gehoor te – lang peinsde over een vraag werd even overwogen of er niet een dokter gebeld moest worden), “taalbeschouwelijk”, en ze zouden met gemak kunnen worden aangevuld met andere, als subtilist, taalmethodist, en het objectiefst: generativist (al zou dat toen, maar ook nu, aan hem de nodige op aarzelende toon uitgesproken tenminste’s en nota bene’s hebben ontlokt).

Hij trok de cirkel om de neerlandistiek, in het verlengde de taalkunde, breed: zachtaardige rebel in de jaren ’60 met de introductiecampagne, samen met Remmert Kraak, rond Noam Chomsky’s theorieën rond het bestaan van aangeborenheid voor taal, oftewel de transformationeel-generatieve grammatica, resulterend in een boek dat “verreweg het meest geciteerde taalkundeboek werd”, waarbij het middelbaar onderwijs niet werd vergeten – het boek Je weet niet wat je weet, geschreven met Marjolein van Dort en Jan Luif, uit 1975, is daar een spinoff van -; romancier – voor zijn eersteling Zonder het genadige einde ontving hij in 1955 de Reina Prinsen Geerligsprijs (hierboven een foto van de prijsuitreiking, door P.J. Prinsen Geerligs, in de aula van de UvA); dichter – in 1956 verscheen Vuurwerk en wiskunde en in 2018 Een kwestie van tijd. Gedichten 1953-2018; en, met graagte, interpretator van gedichten: van Achterberg, Andreus, Herzberg, Leopold, Lodeizen, Vasalis, maar ook Hooft – hoe dat uitwerkt voor een gedicht van deze karakteristieke exponent van de Nederlandse renaissance, waarbij de analyse uitwaaiert naar talen, geschiedenissen, actualiteiten, in een doorwrocht betoog dat begint met de provenance van de plaats waar in 1984 het P.C. Hoofthuis verrees, is hier te lezen. Wim heeft zelf de nodige malen gesproken en geschreven over de close reading-werkgroep waarvan hij jarenlang deel uitmaakte en die (niet per se alleen Nederlandse) gedichten analyseerde in Café Americain. Hij dacht er later met genoegen en iets van heimwee aan terug, zoals hij memoreerde in het levensbericht van zijn eertijds collega proximus Frida Balk in het Jaarboek van de Maatschappij 2013-2014 (een voorproef is hier te vinden). 

Zorgen om de tanende arbeidsmarktpositie van studenten en afgestudeerden Nederlands leidden in 1987 tot zijn bestuurslidmaatschap, al snel het voorzitterschap, van de Landelijke Vereniging van Neerlandici. Ik heb hem in die periode tot 2000, het jaar van zijn emeritaat, van dichtbij meegemaakt; ik was in die tijd secretaris van de LVVN, kantoor mogen houdend (of mogend houden: het zou een mooi en tastend, of liever omcirkelend, gesprek met Wim hebben opgeleverd) in zijn werkkamer in het P.C. Hoofthuis. Wim zat niet zelden op de eerste rij bij de serie middagen en avonden over bedrijfsmatig bezig zijn met of vanuit de neerlandistiek, toen afstuderende neerlandici allang niet automatisch meer een plaats voor de klas of voor de collegebanken konden vinden. Hij genoot – in stilte, ik heb zelden iemand tegelijk zo ingehouden én uitbundig zien glunderen – van het succes van onder anderen zijn alumni die er dan toch maar in slaagden een waardige (en betaalde) professie te vinden, met een goede bagage vanuit de studie “waar je je leven lang wat aan hebt”. Bagage van hetzelfde allooi als bij bèta-afgestudeerden. De neerlandicus dus als [<…>]

Hij stond ook vanuit de LVVN pal voor het vak dat al tijden aan een afkalf-imago leed, hij liet in de landelijke pers van zich horen ter gelegenheid van de Nederlands-Vlaamse conferentie “Het Nederlands na 1992” (in 1991) over de status van het Nederlands in de wereld. Het leverde onder meer een goede relatie met de Taalunie op en Wim werd rond 1998 gevraagd voorzitter te worden van een voorbereidingscommissie voor een Raad voor de Neerlandistiek, die de opdracht kreeg eenheid te scheppen in de veelzijdige en gecompliceerde verzameling van neerlandistieke deelgebieden en problematieken, bevolkt door allerlei belangengroeperingen met evenzovele agenda’s. Er kwam een rapport uit onder de titel Wat unbidan we nu? Naar een raad voor de neerlandistiek met daarin een eerste verkenning. 

Hij bleef, na zijn ambtelijk-ter-kimme-neiging, het vak volgen. In 2001 verscheen Grammatica van het hedendaags Nederlands. Een volledig overzicht, door Reinier Salverda gekarakteriseerd als “een zeer grondige en vernieuwende bijdrage aan de studie van de Nederlandse grammatica”. Ook kwamen er de nodige boekbesprekingen uit (ook wel uit plichtmatigheid, wat het genre aankleeft: een studieboek dat hij maar van matige kwaliteit vond, zoals hij mij ooit mailde, werd grondig doorgespit op goede dingen, die er toch móesten zijn, “want ik wil niet als een ouwe brompot overkomen”). Voor VakTaal schreef hij een groot aantal columns onder de titel “Grammatica voor de liefhebber”. Tip voor de huidige redactie: heruitgeven! 

Twee maanden na zijn overlijden. Wat ik mis haalt het niet bij wat Julia en de kinderen missen, maar voor mij zijn dat: zijn vaderlijke adviezen bij een kopje koffie, het bespreken van actuele kwesties in het vak, praten over muziek, gedichten en katten (ik zag op de dag van Wims crematie op het voorplein van Zorgvlied een rossige Tommy of Eliot-achtige kat tussen de rijen wachtenden door lopen…feit of teken?) En ook: het een tijdje in comfortabele stilte samen mogen zitten (al of niet in de auto). Maar als je weet waar ik ben zoek me dan. Een troost is dat heel veel van Wim om te beginnen op internet is te vinden, een mooie verzamelpagina biedt de dbnl, waarbij het hem geamuseerd zal hebben dat hij kans heeft gezien preuum op te duiken in correspondentie in de Nieuwe Gids in 1886.