Fictieve buurvrouwen en de interessantheidshypothese

Door Marc van Oostendorp

Er is zoals jullie weten de échte wereld en er is de wereld van de fictie. In sommige opzichten lijken ze op elkaar – beide worden bijvoorbeeld bevolkt met entiteiten die met elkaar converseren. En in sommige opzichten lijken ze ook niet op elkaar – ik heb de indruk dat romanpersonages gemiddeld minder vaak de wc bezoeken dan de auteurs die hun leven beschrijven.

Hoe zit dat met het sociale leven? Op wat voor manier verschillen personages in de Nederlandse literatuur daar van de samenleving?.Hebben ze meer of minder vrienden? En wat voor vrienden dan? Stellen schrijvers de samenleving voor als een totaal verweesde bende of heersen overal warme liefde en eendracht?

Naar bed

Beate Volker en Roel Smeets hadden het idee om dat eens te gaan testen. Ze namen alle romans die in 2012 waren ingestuurd voor de Libris-prijs en brachten in die romans de sociale netwerken in kaart: wie ging er met wie om, hoeveel kennissen kwam iemand tegen; ze vergeleken deze netwerken met wat er bekend was uit sociaal-wetenschappelijk onderzoek over het werkelijke leven (de Survey of the Social Networks of the Dutch waaraan Volker heeft gewerkt). Hoe verhielden die zich tot elkaar? Ze schreven er een artikel over voor het vakblad Poetics.

Een belangrijke conclusie is denk ik dat de fictieve wereld interessanter is. Romanpersonages gaan betrekkelijk weinig met buren om, terwijl ze juist betrekkelijk veel in de weer zijn met minnaars en minnaressen.

Tegelijkertijd geeft dat aspect een inkijkje in wat de Nederlandse samenleving, of wie weet de mensheid in alle tijden, als interessant beschouwt: niet het contact met degene met wie je alle roddels deelt en die je uit de brand helpt als je een stuk gereedschap nodig hebt, maar de persoon met wie je naar bed gaat.

Kleinere netwerken

Opmerkelijk in dat verband is ook dat de netwerken in romans etnisch diverser zijn dan in het werkelijke leven, althans wanneer die romans door witte schrijvers geschreven zijn. Wanneer ze door auteurs met een niet-westerse achtergrond geschreven zijn, hebben ze juist gemiddeld een gesegregeerder netwerk.

Volker en Smeets wagen zich nauwelijks aan een analyse van dit soort feiten, maar ik vermoed dat het twee manieren zijn om de werkelijkheid interessanter te maken. Witte mensen zitten gemiddeld in minder diverse netwerken dan niet-witte (dat is eigenlijk al een kwestie van kansberekening: de kans dat je iemand uit de meerderheidsgroep in je vriendenkring hebt is nu eenmaal groter).

Of je alle bevindingen van Volker en Smeets aan deze interessantheidshypothese kunt relateren weet ik niet. Mannelijke auteurs blijken gemiddeld kleinere netwerken te beschrijven dan vrouwelijke, maar het is niet helemaal duidelijk waarom dat zo is.

Non-fictie

Overigens was de winnaar van de Libris-prijs 2012 Tonio van A.F.Th. van der Heijden, een boek dat in mijn herinnering gaat over een heel klein maar hecht netwerk, namelijk een vader, een moeder en een zoon, met een paar perifere personen (een geheimzinnige vriendin van de zoon, wat politieambtenaren).

Maar Tonio is ook nonfictie. En dat doet de vraag rijzen hoe het eigenlijk in non-fictieboeken zit: hoe zitten de netwerken daar in elkaar? Mijn interessantheidshypothese zou voorspellen dat non-fictie – biografieën, bijvoorbeeld – halverwege tussen romans en de werkelijkheid inzitten. Ze zijn natuurlijk op die werkelijkheid gebaseerd, dus een buurvrouw valt niet altijd te vermijden, maar ze gaan natuurlijk tegelijkertijd over interessante gebeurtenissen, dus zullen er nog altijd minder buurvrouwen zijn dan gemiddeld in voornoemde werkelijkheid.

Van dit stukje verscheen eerder al kort een voorproefje op Neerlandistiek. Daar klopten een paar dingen niet in, zoals een snelle lezer me meldde.