Eene dochter Israels, Schets uit het Leven eener Diacones (1911)

Jeugdverhalen over joden (62)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend.
Vertaald uit het Engels

Herkomst en drukgeschiedenis

‘Eene dochter Israels. Schets uit het Leven eener Diacones’ verscheen in 1911 in zes afleveringen als feuilleton in De Volksvriend, een Nederlandstalige krant die werd uitgegeven in Orange City, Iowa. De krant was gericht op Nederlandse emigranten in de Verenigde Staten. Aangezien dit bekeringsverhaal in Londen speelt, zal het door De Volksvriend uit een Britse bron zijn overgenomen. De titel van de oorspronkelijke uitgave is niet bekend. Esther (de ik-persoon) vertelt het relaas van haar bekering aan een andere zuster in het diaconessenhuis, een ziekenhuis op orthodox-protestantse grondslag.

Uitgebreide samenvatting

Esther Jacobi woont met haar ouders in een voorstad van Londen. Zij is enig kind en ziet er niet joods uit. Haar ‘haar was niet kroes, maar lokkig en van het zuiverste blond’. En haar blauwe ogen ‘hadden niets van die scherpheid, die haren stam anders zoozeer kenmerkt’.

Op haar vijftiende wordt Esther uitgehuwelijkt aan Samuel, de zoon van een zakenrelatie van haar vader. Esther heeft zo’n hekel aan deze agressieve, ‘roodharige jood’, dat zij overweegt om zich te verdrinken in de Theems. Een christelijke klasgenote (Esther zit op een christelijke school) houdt haar tegen. ‘Toen eerst’, vertelt Esther, ‘gingen mijne oogen open voor een mij te voren nog onbekend licht.’

Vader haalt Esther van school om voor haar ernstig zieke moeder te zorgen. Als Esther na een noodbezoek aan de apotheek ’s nachts thuiskomt, ontdekt zij dat haar vader een crimineel is: hij is de spullen van een inbraak aan het verdelen. Kort daarop is zij er getuige van dat Samuel een moord pleegt.

Meteen na haar moeders begrafenis vlucht Esther van huis. In Londen betreedt zij voor het eerst een kerk. ‘Voor een oogenblik was ik overweldigd door de plechtstatigheid en heiligheid van de groote ruimte. Het was de eerste christelijke kerk, die ik van binnen zag, en de indruk, dien zij op mij maakte, was alsof een zachte, koele hand op mijn onstuimig, brandend hart gelegd werd.’

Esther piekert. ‘Ik wist maar al te goed, hoezeer de Joden aan elkander verkleefd zijn en immer gemeene zaak maken. In weinige dagen, dit wist ik, zouden al de Joden van London, ja zelfs, die ver buiten de stad woonden, er mee in kennis gesteld zijn, dat eene dochter van hun stam heimelijk het ouderlijk huis was ontvlucht.’

Esther klopt bij deftige huizen aan om zich als dienstmeisje aan te bieden, maar zonder succes. Zij wordt op straat herkend door iemand met een ‘onmiskenbare joodschen tongval’ en met ‘loerende, listige oogen’, valt flauw voor een huis en wordt daarna wekenlang liefdevol verzorgd door de oude, christelijke weduwe die daar woont, mevrouw Millar. Terwijl Esther aansterkt, leest mevrouw Millar haar voor, eerst uit het Oude en vervolgens uit het Nieuwe Testament. Dit brengt bij Esther een verandering teweeg. ‘Toen ik voor de eerste maal mijn kamer verliet, was ik uit den grond van mijn hart eene christin en vast besloten dit openlijk te belijden en door den doop te doen bezegelen.’

Omdat Millars huis door joden wordt bespied, wordt Esther naar een weeshuis buiten Londen gebracht. Daar leert zij nog meer over het christendom, onder anderen van een leraar. ‘Ik behoef het u wel niet te zeggen, welke kostelijke uren het waren, als hij mij den Bijbel verklaarde, mij eerst de rechte beteekenis en eigenlijke schoonheid onzer profeten en psalmen te genieten gaf.’

Maar ook in het weeshuis blijkt Esther niet veilig – handlangers van haar vader proberen het meisje te ontvoeren, wat op het nippertje door een politieagent kan worden verhinderd. Nadat zij haar vader in een brief heeft laten weten dat zij binnenkort zal worden gedoopt, krijgt Esther in het weeshuis bezoek van een rabbijn. ‘Hij hield mij uit de Schrift de straffen voor, die al diegenen treffen, die van hun geloof hunner vaderen afvallen. Hij bracht mij de volkomen vergiffenis van mijnen vader over, op voorwaarde, dat ik besluiten mocht terug te keren.’

Als de rabbijn merkt dat Esther onvermurwbaar is, ‘greep er plotseling een grote verandering met hem plaats. Hartstochtelijk en opgewonden slingerde hij mij in woeste lage uitdrukkingen de schrikkelijkste vervloekingen naar het hoofd’.

Esther gaat als zuster in een diaconessenhuis werken. Op weg naar de doopplechtigheid wordt zij op straat door joden uitgescholden. ‘Scheldwoorden troffen mijn oor, verwenschingen werden mij nageroepen, die mij nog lang daarna, wanneer ik des nachts niet kon slapen, hebben gegriefd.’ Bij aankomst hoort zij haar vader tieren in de kerk. Hij stort ‘alle vloeken en verwenschingen over mijn hoofd (…) welke in een menschenbrein maar kunnen opkomen. Dat was te veel voor mij. Ik zonk voor hem op de knieën en zijn voeten omklemmende, smeekte ik om vergeving en om zijn zegen’.

Haar vader gebiedt haar om Jezus te vervloeken, maar Esther weigert: ‘Neen, neen, duizendmaal neen! (…) Er is geen andere naam gegeven waardoor wij kunnen zalig worden, dan alleen de naam Jezus Christus.’

Haar vader geeft Esther zo’n ‘woeste schop’ dat zij de kerk ‘in vliegt’, maar daarna vertrekt hij. ‘Het binnenste der kerk’ ontsluit zich voor haar ‘als een haven des vredes en des behouds’, waarna zij wordt gedoopt. ‘Ik voelde (…) dat ik nu datgene verkregen had, waarnaar ik zoo vurig had verlangd, namelijk een gelukkig kind van God te zijn, dat in Christus rust heeft gevonden voor zijne ziel.’