De gehoorzame dode

Door Nico Keuning

De literatuur is een vrijstaat, waar als hoofdregel geldt dat de hoofdpersoon of het personage in een verhaal of roman niet verward moet worden met de auteur van het werk of een in werkelijkheid bestaande persoon. In fictie is het niet de mening van de auteur of persoon, maar die van een literair hoofdpersoon of personage. De roman is een product van de verbeelding. De rechter heeft om deze reden in het verleden Gerard Kornelis van het Reve (Nader Tot U – 1966) vrijgesproken. Blasfemie oordeelde ARP-senator Hendrik Algra over de passage in de brievenroman van Van het Reve, waarin God, gereïncarneerd als ezel, door de hoofdpersoon in zijn geheime opening wordt genomen. Reve won in hoger beroep, nadat hij zichzelf tijdens het ‘Ezelproces’ had verdedigd in zijn meesterlijke ‘Pleitrede’.

Minder bekend zijn, eveneens in 1966, de Kamervragen van diezelfde Algra over de roman De gehoorzame dode (1964) van Willem Brakman: ‘De bladzijden over kruisiging, waarmee het boek besluit, zijn voor ieder die nog een aasje eerbied voor de lijdende Christus heeft, godslasterlijk.’ De samenleving is voortdurend in beweging. Dat openbaarde zich heel sterk in de jaren zestig, die een reactie vormde op een grauwe periode van oorlog en onderdrukking door de politieke macht, het ouderlijk gezag en de invloed van de kerk. Het is dan ook geen toeval dat de schrijver Willem Brakman (1922-2008), opgegroeid met de angst voor een verborgen, maar aanwezige God, in zijn werk vaak spottend uit de hoek komt om het sacrale ‘te banaliseren’, zoals Maarten ’t Hart dit trekje van Brakman karakteriseert. Een goed voorbeeld is de roman De gehoorzame dode (1964), waarin de auteur de geest ongebreideld laat waaien. Hoofdpersoon Lazarus als vrije geest in een tijd van kantelende geloofsonderdrukking.

Lazarus wordt in het elfde hoofdstuk van het Johannes-evangelie door de Messias uit de dood opgewekt. In de optiek van de auteur wordt Lazarus door Jezus misbruikt. De Verlosser wil een wonder verrichten ter meerdere eer en glorie van zichzelf en zijn nagedachtenis, terwijl de arme Lazarus nu gedoemd is een tweede keer te sterven. Aan het eind van de roman neemt de auteur literair wraak.

‘Deze man ging onontkoombaar dood,’ laat hij Lazarus denken aan de voet van het kruis met de stervende Jezus, ‘was al dood dus, een levende dode was het.’ Net als Lazarus ‘leeft’ Jezus na zijn dood als teken van het bestaan van God. Ook Jezus is door de Genezer ‘totaal in bezit genomen’, verworden tot een ‘ding’: ‘Mateloos gehoorzaam en prooi. Ook dat verbond me met deze man in zijn machteloos, vastgespijkerd omarmingsgebaar en ik voelde mijn geslacht zwellen…’

Er staat een soldaat naast Lazarus en terwijl Jezus sterft aan het kruis, biedt Lazarus de soldaat een olijf aan. ‘ “Een olijfje?” zei ik hoffelijk en toonde hem de vruchten in de slip.’ Beiden genieten van de olijven. Boven hun hoofd kreunt zachtjes Jezus aan het kruis. Lazarus zegt tegen de soldaat: ‘Men zegt dat hier een god sterft, Gods Zoon…’
‘Ze verzinnen wat tegenwoordig,’ reageert de soldaat hoofdschuddend.

Het was een literatuurcriticus, zij het een gelovige, die de roman in een recensie, in de Nieuwe Haagsche Courant, ‘godslasterlijk’ noemde. Daar had het bij kunnen blijven, ware het niet dat de criticus in kwestie, dr. C. (Cornelis) Rijnsdorp zijn bespreking twee jaar later opnam in de essaybundel De moderne roman in opspraak. De uitnodigende titel was niet aan het oog van senator Hendrik Algra ontsnapt. Hij las het en nam op 10 mei 1966 het woord in de Eerste Kamer. Hij verwijst naar en citeert uitsluitend uit de bundel van Rijnsdorp, uitgegeven bij Kok, in Kampen. Voer voor gelovigen. De roman van Brakman heeft hij niet gelezen.

Dat in een recensie een roman op louter literaire kwaliteit beoordeeld moet worden, noemt Algra in de woorden van Rijnsdorp ‘een moderne wijze van scheelzien’. Algra vervolgt: ‘Ik zeg erbij dat het een dekmantel voor passief nihilisme is. (…) Er zijn op dit gebied wel meer gevallen die duidelijk aantonen wat er eigenlijk aan de hand is. Er is bijvoorbeeld een boek uitgegeven door een eveneens gerenommeerde uitgever, nl. Querido’s Uitgeverij N.V. te Amsterdam, dat handelt onder de titel De gehoorzame dode over Lazarus, de broer van Maria en Martha uit het evangelie van Johannes, elfde hoofdstuk. De schrijver, de heer Brakman, geeft van Palestina een beeld – en nu citeer ik nogmaals dr. Rijnsdorp (…) – “Waarin stank en viezigheid overheersen. Brakman acht geen bladzijde geslaagd, indien er niet iets of iemand kwalijke geuren verspreidt, die zorgvuldig worden gedetermineerd. De behoefte aan het drastische is hier bijna pathologisch. Als het over bidden gaat, moet er onmiddellijk over niezen, neus snuiten en neus afvegen worden gesproken. Is er sprake van tempel, dan moet er in een adem aan bordelen worden herinnerd. Er worden op bijna elke pagina boeren en winden gelaten; ontlasting, bloed en urine zijn niet van de lucht. Terecht leest men op blz. 153: “Al vergat ik uien, zweet en knoflook niet te vermelden.” Er is inderdaad niets van dien aard vergeten en vele jonge snobs die zo graag ‘in’ zijn, zullen dit prachtig vinden.’

Algra citeert opnieuw criticus Rijnsdorp. Nu over de scène van ‘de kruisiging van onze Heer Jezus Christus’: ‘Het is eenvoudig faecaliën werpen naar het kruis. De bladzijden over kruisiging, waarmee het boek besluit, zijn voor ieder die nog een aasje eerbied voor de lijdende Christus heeft, godslasterlijk.’

Het ‘Ezelproces’ van Gerard Kornelis van het Reve leidde met dank aan senator Algra tot een enorme verkoop van Nader Tot U. Vandaar dat Reve zijn huis in Greonterp aanvankelijk ‘Huize Algra’ noemde. Later doopte hij de naam om tot ‘Huize Het Gras’. Van hoge verkoopcijfers van De gehoorzame dode van Willem Brakman was geen sprake. De ‘sacraal getinte roman’, zoals Brakman zijn boek noemde, was minder toegankelijk dan Nader Tot U. Maar het grootste verschil vormden de Pleitrede en het openbaar optreden van Reve. De roman van Brakman leidde niet tot een rechtszaak. De ‘Handelingen’ van de 34ste vergadering van de Eerste Kamer van dinsdag 10 mei 1966 over de roman verdwenen in het duister van het Binnenhof-archief.

Afbeelding: Willem Brakman, collectie Nico Keuning