Waarom is er zo vaak maar één gesprekstaal?

Door Henk Wolf

Mensen hebben heel sterk de neiging zich aan elkaar aan te passen. De populaire psychologie noemt dat spiegelen, in de taalsociologie wordt het vaak accommoderen genoemd.

Dat aanpassen doen we op talloze manieren: mensen nemen dezelfde lichaamshouding aan, zoeken een vergelijkbaar spreekvolume, nemen woorden van elkaar over enzovoort. Bijna iedereen heeft vermoedelijk weleens het experimentje gedaan waarbij-d-ie een andere houding aannam en constateerde dat z’n gesprekspartner die houding met een kleine vertraging overnam.

Zulk aanpassen, ook al gebeurt het grotendeels onbewust, is een sociaal signaal. Het geeft de gesprekspartner aan dat je je best doet om het gesprek harmonieus te laten verlopen, dat je van goede wil bent, dat je de ander welgezind bent. Wie zich op een opvallende manier niet aan de ander aanpast, kan daarmee te kennen geven dat er in de verhouding iets mis is, bijvoorbeeld bij een emotionele discussie of in een situatie waarin machtsverhoudingen boven goede betrekkingen gaan.

Taal

Een van de opvallendste manieren om je niet aan te passen aan je gesprekspartner is het vasthouden aan een andere taal. Als ik in een Brusselse winkel Nederlands spreek en de winkeljuffrouw spreekt Frans terug, dan redden we ons prima, maar het is ook voor ons allebei een beetje ongemakkelijk. “Niet dezelfde taal spreken” is zelfs idioom met de betekenis ‘het oneens zijn’ of zelfs ‘in onmin verkeren’.

Gesprekken waarbij de deelnemers redelijk consequent verschillende talen spreken, zijn al tientallen jaren onderwerp van studie. Ze worden wel asymmetrisch gesprekk of non-convergent discourse genoemd. Wat recenter zijn ook termen als receptieve meertaligheid en luistertaal in gebruik gekomen om er de gebruikscontext van zulke gesprekken mee aan te duiden.Zulke gesprekken zijn ongewoon, maar ze komen wel voor. Bekend zijn de gesprekken tussen Scandinaviërs, die in onderling contact hun moedertaal – Deens, Zweeds, Noors – blijven spreken. Daarbij zijn het ontbreken van actieve kennis van de andere taal en de sterke overeenkomst tussen die drie talen excuserende factoren voor het uitblijven van aanpassing. In formele contexten is asymmetrie in de communicatie ook relatief vaak gewoon – in het Belgische parlement spreken volksvertegenwoordigers in principe hun moedertaal en is het een beetje een blamage als iemand gebruik moet maken van de tolkenservice. In Provinciale Staten van Friesland en heel wat Friese gemeenteraden zijn geen tolken, daar spreken veel volksvertegenwoordigers en bestuurders altijd hun eigen taal.

In persoonlijke verhoudingen kan het ook gewoon worden dat elk z’n eigen taal gebruikt. Mensen kunnen eraan wennen dat de taalkeuze niet wordt meegenomen in het sociale aanpassingsproces. Zo ken ik heel wat ouders die tegen hun kinderen Gronings spreken, terwijl de kinderen consequent Nederlands terugspreken. Er zijn ook wel mensen in Friesland die vrijwel altijd Nederlands spreken, net zoals er mensen zijn die vrijwel altijd Fries spreken.

Asymmetrische gesprekken in het verleden

Nu zijn dat uitzonderingen, maar wie boeken leest uit de negentiende en vroege twintigste eeuw, krijgt de indruk dat dat toen heel anders was, in elk geval in Noord-Nederland. Neem een boek als de Rimen en teltsjes, een van de bekendste literaire werken van Friesland. Het boek staat vol gedichten en verhalen over gewone mensen. Opvallend is dat die doorgaans aardig consequent zijn in hun taalkeuze. Heel wat gesprekken verlopen zonder dat de gesprekspartners zich in hun taalkeuze aan de ander aanpassen. Het begrip van Fries, Nederlands, Duits, Platduits, Bildts, Gronings en de Friese stadsdialecten lijkt heel groot te zijn. Af en toe wordt het taalgebruik even gethematiseerd, dan vraagt iemand de betekenis na van een woord – en dan blijkt dat de gespreksdeelnemers elkaars taal blijkbaar ook actief beheersen, want die vertaling kunnen ze vaak gewoon geven.

De Rimen en teltsjes is maar één boek, maar het meertalige patroon vind je in veel meer iets oudere literatuur. In De sûnde fan Haitze Holwerda van Ulbe van Houten worden de kleine talige misverstanden tussen sprekers van Fries en Bildts gethematiseerd, maar niemand suggereert dat ze zich maar moeten aanpassen.

Wel iets over aanpassing heb ik kunnen vinden in Dät Ooldenhuus van Hermann Janssen. Hij beschrijft hoe sprekers van het Saterfries, die zich als seizoenarbeiders in Noord-Nederland verhuurden, in Friesland hun eigen Saterfries spraken en in Groningen het Platduits. Blijkbaar waren ze dus tweetalig en kozen ze uit hun twee talen de taal die het dichtst lag bij die van de streek waarin ze werkten, zonder de taal van die streek over te nemen.

Is asymmetrie in gesprekken een cultureel verschijnsel?

Natuurlijk zijn dit literaire werkelijkheden. Ik weet niet in hoeverre het ook historische werkelijkheden zijn, maar ze maken wel dat ik me afvraag of het ongemak dat we nu voelen bij het vasthouden aan de eigen taal meer een deel van onze cultuur is dan een algemeen menselijke eigenschap. Onze voorouders hadden er aanmerkelijk minder moeite mee dan wij, zo lijkt het.

Een extra aanwijzing daarvoor is dat het Friese werkwoord jin ferbrekke in z’n huidige betekenis pas in de late negentiende eeuw opkomt. Het betekent nu ‘tegen je zin een andere taal spreken dan degene waarin je je het meest thuisvoelt’. Het ontstaan van een werkwoord met die betekenis kan weleens een aanwijzing zijn voor een veranderende taalcultuur, waarin de maatschappelijke norm van ‘vasthouden aan je moedertaal’ opschuift naar een nieuwe norm, namelijk die van het zoeken naar een gemeenschappelijke gesprekstaal.