Vaders fiets: geen Engels maar uitbreiding

Door Marten van der Meulen

Gisteren verscheen op Neerlandistiek een interessant stukje van Fabian Stolk, waarin hij reflecteert op de constructie ‘de dichters plicht’. Hij vermoedt dat:

sinds de officieuze afschaffing (c.q. het in onbruik raken) van de naamvallen (…) in het Nederlands taalgebruik, een Engelstalige genitiefconstructie is/wordt geïmporteerd als (principieel overbodige) Ersatz.

Nu kun je natuurlijk discussiëren over dat merkwaardige ‘principieel overbodige’: waarom zou het overbodig zijn om iets op meer dan één manier te kunnen zeggen? Is het ook overbodig dat we zowel ‘dat hij gekomen is’ als ‘dat hij is gekomen’ kunnen zeggen? Deze uitspraak lijkt een voorbeeld van de onderdrukking van optionele variatie, wat aan de grondslag ligt van prescriptivisme (waar ik eerder over schreef). Mij lijkt het nou juist de charme van taal dat je hetzelfde op meerdere manieren kunt zeggen. Maar daar gaat het me niet per se om. Waar het me wel om gaat, is de hypothese dat deze constructie uit het Engels komt.

Engels?

Bij dit soort taalvariatie wend ik me altijd direct tot het monumentale en geweldige ‘Geschiedenis van het Nederlands in de twintigste eeuw‘ van Joop en Kees van der Horst (1999). Eindeloos veel variabele constructies worden in dit boek behandeld, waaronder ook de genitiefconstructie van Stolk. Van der Horst & van der Horst zeggen daarover onder andere het volgende:

vormen à la vaders fiets, Elly’s vrienden, opa’s pijpje (…) zijn namelijk ook nu springlevend in de alledaagse taal, en lijken zelfs een zekere uitbreiding te beleven. (p. 319).

En verderop bevestigen ze een deel van Stolks hypothese (kijk, daar is er weer een):

In ieder geval zal het begin van de ontwikkeling zeker gezocht moeten worden bij de oude tweede naamval zoals die tot in de de 16e eeuw bestond. Wanneer deze uit de gewone taal verdwijnt, wordt op de oude stronk een nieuwe tak geënt. (p. 319).

Dit is al direct vrij sterk bewijs voor in ieder geval een gedeeltelijke verwerping van de hypothese van Stolk. De kans dat deze constructie eind 16e eeuw ontstond onder invloed van het Engels is namelijk erg klein. Van der Sijs haalt in haar Groot Leenwoordenboek (2005:317) Blok (1891) aan, die stelt dat “er tussen de periode dat deze Angelsaksische monniken hier verbleven [de 8e eeuw] en de negentiende eeuw nauwelijks Engelse invloed in de Nederlanden [is] geweest”. “Het aantal leenwoorden was zeer gering en niet blijvend”, zegt Van der Sijs (2005:318) bovendien: het is onwaarschijnlijk dat er wel diepgaandere talige invloed was op de grammatica.

Niet nieuw

De Van der Horsten schrijven meer over deze constructie. Zo wijzen ze erop dat ze in principe alleen mogelijk is bij eigennamen en sommige soortnamen (dat is in ieder geval wat de Algemene Nederlandse Spraakkunst stelt). Vaders fiets is dus prima, de dichters plicht niet. Toch komt dit voor, en, zeggen Van der Horst & Van der Horst (1999:320), het zou ook weleens vaker kunnen voorkomen. Ze noemen vervolgens een tiental voorbeelden, waarvan het oudste uit 1974 komt: “De oude heer Diefenbachs dagboek wordt door Coenen uitvoerig geciteerd”. De uitbreiding van deze constructie is dus zeker niet iets van de laatste jaren: ze komt al tenminste 40 jaar voor. Het zou dus kunnen dat Stolk last heeft van de recency illusion, waarbij je denkt dat iets nieuw is omdat het jou pas net opvalt. Of dat echt zo is, valt te bezien: de collectie die wordt aangelegd kan daar meer inzicht in verschaffen (hoewel er dus wel ook in iets oudere bronnen moet worden gezocht).

Toch Engels?

De oorsprong van de dichters plicht-constructie liggen dus misschien al in de 16e eeuw, maar er lijkt wel degelijk recent een uitbreiding te zijn. Zou die dan niet tóch onder invloed van het Engels kunnen zijn? Daarover zeggen Van der Horst & Van der Horst het volgende:

Men behoeft overigens volstrekt niet meteen aan Engelse invloed te denken, want wat in het Engels kan ontstaan, zou in het Nederlands evenzeer kunnen ontstaan.

Het belang van dit punt kan wat mij betreft nauwelijks worden overschat. Het komt vaker voor dat een nieuwe of (vermeend) toenemend gebruikte constructie in het Nederlands aan Engelse invloed wordt gewijd, maar, zoals hierboven gezegd, het feit dat een dergelijke constructie bestaat in een andere taal betekent niet dat ons gebruik ook onder invloed daarvan is. Die invloed kan er wel zijn, maar toch kan vaak een andere, waarschijnlijkere verklaring worden gevonden. Bijvoorbeeld in het feit dat de constructie op een bepaalde manier al voorkomt. Dat lijkt hier ook het geval: vaders fiets kon al langer, blijkbaar is men dat gaan uitbreiden naar dichters plicht. Je ziet volgens mij hetzelfde bij de isolerende comparatief: veel taaladviseurs zeggen dat de toename van vormen als een meer grote auto (in plaats van een grotere auto) te wijten is aan het Engels, maar ook hier geldt dat deze vorm al bestond in het Nederlands. Het zou dus ook hier simpelweg om uitbreiding kunnen gaan van iets bestaands.

Kortom: ik zou de hypothese “Een Engelse constructie rukt op” voorlopig verwerpen. De constructie is in ieder geval van origine geen Engels, en of ze oprukt is de vraag. Mocht dat zo zijn, dan is het mogelijk maar moeilijk bewijsbaar dat dit onder invloed van het Engels gebeurt.