Onderzoeksaanvragen: de (bevoorrechte) aanhouder wint

Door Lucas Seuren

Enkele weken terug ontving ik een teleurstellend, maar niet geheel onverwacht, mailtje. Mijn subsidieaanvraag bij de National Institute of Health Research was afgewezen. Meer dan honderd uur werk van mij en mijn begeleiders en een nul-resultaat. Het was even slikken en ik heb die nacht bijzonder slecht geslapen. Niet alleen omdat al dat werk ogenschijnlijk voor niets was, maar ook vanwege de onzekerheid over mijn toekomst: zou ik over een jaar nog werk hebben? Het is een bijzonder ontmoedigende situatie en het mag dan ook geen verrassing heten dat menig jong wetenschapper na die eerste mislukte poging opgeeft.

Gedoemd

Waarom is het zo moeilijk om financiering te krijgen? Daar is een hele rits redenen voor, maar ik wil er één uitlichten: het systeem is veelal ingericht op doorzetters. Daarmee bedoel ik het volgende. Voor menig financieringsinstrument, zoals de vernieuwingsimpuls—de VENI’s, VIDI’s, en VICI’s—krijg je twee kansen. Je dient een aanvraag in en als deze wordt afgewezen krijg je commentaar en mag je het een jaar later opnieuw proberen. Op die manier is je tweede aanvraag veel sterker. Dat wil niet zeggen dat die tweede aanvraag wel slaagt, verre van zelfs, maar je bent competitiever.

Als onderzoeker die voor het eerst een aanvraag indient moet je dus concurreren met mensen die dat voor de tweede keer doen. En hoe goed je aanvraag ook is, hoeveel feedback en suggesties je ook krijgt van collega’s, je staat op achterstand als je aanvraag niet is beoordeeld door een commissie die daadwerkelijk over het geld gaat. Dat is niet zo gek natuurlijk: de mensen die het beste weten wat de commissie wil zien, zijn de mensen in die commissie. Dus als je kunt laten zien dat je geluisterd hebt naar de commissie, dan heb je een streepje voor.

Het gevolg hiervan is dat een eerste poging bijna gedoemd is om te mislukken. Let wel, er zijn natuurlijk aanvragen die gelijk gehonoreerd worden, maar dat zal een kleine minderheid zijn. In zekere zin moet je als onderzoeker de eerste poging ook niet zien als een eerste poging, maar als een soort generale repetitie.

Maar dit is volstrekt niet hoe het systeem werkt. Stel je eerste aanvraag wordt afgewezen. Je hebt dan de keuze om op te geven, of ergens geld en tijd vandaan te toveren zodat je een jaar later een tweede poging kan wagen. Bovendien, als je vroeg in je carrière geen subsidie krijgt is de kans groot dat je later ook geen geld meer krijgt. (Mijn aanvraag werd afwezen ten dele omdat ik nog nooit subsidies of prijzen had binnengehaald.) Dit is het welbekende Mattheüseffect en het werkt bijzonder ontmoedigend door de enorme druk die het op jonge onderzoekers legt om vroeg succes te behalen.

Oplossing?

De vraag is hoe we dit kunnen oplossen. Wat zou helpen is om de werklast voor een voorstel fors omlaag te brengen. NWO is hier al mee bezig: je moet voor een VENI een vooraanmelding indienen. Op die manier hoeft niet iedereen een volledige aanvraag te schrijven. Je schrijft een korte opzet van een paar honderd woorden en als die geaccepteerd wordt schrijf je pas je definitieve aanvraag. Als je in dit stadium wordt afgewezen voelt het nog steeds als een verlies, maar het zal minder hard aankomen en dus minder ontmoedigend zijn.

Een volgende stap is om te zeggen dat een vooraanmelding niet telt als een eerste poging. Nu is het zo dat wie een vooraanmelding indient voor een VENI een van zijn of haar twee kansen kwijt is. Zelfs al kom je dus bij je tweede poging wel door die vooraanmeldingsronde, dan nog moet je concurreren met mensen die al commentaar hebben gehad op hun volledige voorstel. Mensen die bij hun eerste poging niet door de voorronde kwamen staan dus nog steeds op forse achterstand. Het zou beter zijn om te zegen dat je twee mogelijkheden krijgt om een vooraanmelding in te dienen en twee om een definitieve aanvraag in te dienen.

Een extra verandering zou kunnen zijn dat je bij een aanvraag niet hoeft te zeggen of je in het verleden subsidie hebt binnengehaald. Wie dan in eerste instantie geen succes heeft, zal niet gelijk gaan twijfelen aan zijn of haar carrièreperspectief. Dit lijkt wat vreemd, want je wilt dat mensen succesvolle projecten kunnen doorzetten. Maar je zou twee parallelle subsidiestromen kunnen hebben: geld dat je investeert voor echt langetermijnonderzoek en geld waarmee je een project kan kickstarten.

Aristocratie

Wat we ook doen, we kunnen niet op dezelfde manier door. Natuurlijk moeten onderzoekers doorzettingsvermogen hebben, maar wie een proefschrift kan afronden heeft aangetoond dat hij of zij daarover beschikt. Wetenschap zou een meritocratie moeten zijn, maar verwordt langzaam tot een soortement aristocratie waarin succes erfelijk is en geluk dus je carrière bepaalt.