Multatuli en de historische taalkunde: ‘alles gaat over in alles’

Door Freek Van de Velde

Op de laatste dag van het jaar 1872 begint Eduard Douwes Dekker (Multatuli), die op dat ogenblik in Wiesbaden is, aan een brief aan Sicco E.W. Roorda van Eysinga, een koloniaal bestuurder in Nederlands-Indië, die (net als Multatuli) in vlammende geschriften tekeer ging tegen de Europese uitbuiting van de lokale bevolking.

De brief gaat over heel andere dingen. Multatuli, zelfverklaard expert op allerlei gebieden, heeft het in de eerste paragrafen terloops over onder andere de onbetrouwbaarheid van kranten, de stelling dat vrouwen beter pijn kunnen verdragen dan mannen, de observatie dat we meer bevreesd zijn voor een ingescheurde nagel en voor diepte dan voor een grote wonde, om dan plots over te springen op historische fonologie, wellicht iets waarover hij het met Roorda van Eysinga eerder gehad heeft. Multatuli schrijft:

Die overgang van a in å is maar ’n onderdeel van die verwisselingen. Alles gaat over in alles.

a          in         ê.         (paard = peerd. mama = mem.)
aa        in         ôâ.       vlaamsch en overal.
e          in         a.         kersen karsen.
y          in         a.         (vlaamsch: Amsterdam ligt aan het Aa.)

Juist een der oudste benamingen van water aoea, aqua, oea wa, wad, oeëd oeäs was wasser, wad.

a          in         i.          wasschen = wisschen.

waage (weegschaal) wieg, (t begrip van schommelen) band, binden, finden, fand.

au        in         ooi.      gau = gooi.
ou        in         ooi.      kouw = kooi

Voltaire (meen ik) heeft gezegd en fait d’étymologie, les voyelles ne signifient rien du tout, et les consonnes peu de chose.

Deze passage laat zien waarom Multatuli, zelfs in zijn beschouwend proza, zo’n geweldige schrijver is. Dat “alles gaat over in alles” is een hilarische formulering van de wanhoop die in de blikken van talloze generaties studenten te lezen valt als ze het college historische grammatica volgen. Als je de ontwikkeling van de klinkers ziet, dan gaat het je duizelen. Verderop in de brief zegt hij trouwens: “Ja, de consonanten wisselen even makkelyk als de vokalen.”

Hij slaat wel een en ander door elkaar: ‘water’ en ‘aqua’ zijn etymologisch niet verwant: ‘water’ gaat terug op het Proto-Indo-Europees *uód-r (sterretje betekent: ‘gereconstrueerd’), en het verwante woord in het Latijn is ‘unda’. ‘Aqua’ is verwant met ‘aa’ (‘waterloop’), en het is niet zeker of dat wel een Indo-Europees woord is. Misschien wel (*h2ekweh2-), maar misschien is het iets van West-Europa. Maar wat wel klopt is dat die ‘aa’ in tal van andere gedaanten opduikt, als ‘ee’ (‘Ziekirks-ee’, ‘Overflakkee’ (‘over-het-vlakke-ee’), ‘ei’ (‘eiland’), ‘ij’ (‘het IJ’)). En de overgang van ‘a’ naar ‘i’ in ‘finden’-‘fand’, is geen klankwet, maar een morfologisch verschijnsel.

In de brief gaat Multatuli nog verder in op de historische taalkunde, en zijn redeneringen denderen geregeld van de sporen. Hij ziet een centrale rol weggelegd voor het woord ‘water’: “Het begrip: water speelt (…) een groote rol. Evenals de gehuchten en steden zich kristalliseerden om ’n punt aan ’t water, heeft zich ook alöm de taal uitgebreid om den klank heen die men van water had afgeluisterd.”. Hij meent woorden als ‘koning’, ‘hoera’, ‘heer’, ‘keizer’ en het voorvoegsel ‘oer-‘ in ‘oertaal’ te moeten terugvoeren op cognaten voor ‘water’. Hij denkt dat ‘hoofd’ en ‘kop’ van dezelfde wortel komen, die klanknabootsend is: ‘h…u…u…p!’ (‘op’, ‘naar boven’), het geluid dat je maakt als je met een zucht van inspanning iets zwaars wil opheffen.

Toch krijg je sympathie voor Multatuli. Je vergeeft hem zijn dilettante opvattingen. In de eerste plaats omdat de wetenschap van de historische taalkunde toen nog in volle ontwikkeling was, en hij daar in Wiesbaden misschien ook niet gauw iets kon opzoeken in naslagwerken die we nu bij de hand hebben op het internet. Maar in de tweede plaats ook omdat hij zo enthousiast is, en zich ook wel bewust is van zijn beperkingen: “Myn liefste studie zou ‘taal’ zyn, nam: het opsporen der Geschiedenis van ’t mensdom uit de (darwinsche) ontwikkeling der uitingsmiddelen.” en “Och, ik had er zoo’n lust in my geheel aan die studie te wyden! Maar ik zou jaren noodig hebben voor ik iets leveren kon dat op iets als ’n geheel leek. En dat kan niet! Hoe zou ik leven gedurende dien tyd.”, en de verzuchting aan het einde van de passage: “Is ’t niet jammer dat ik geen tyd heb? – In een land als ’t onze is studie onmogelyk. Men moet toch leven! Wie betaalt de moeite die er zou noodig zyn om ’n klein boekje te leveren vol bronnen studie? ’t Spreekt vanzelf dat alles licht & dicht gemaakt wordt.” Niet alles wat Multatuli zegt is onzin, trouwens. In zijn idee om de taal terug te voeren tot “primitieve natuurgeluiden” vindt hij geestesgenoten in hedendaags onderzoek waarin eerherstel bepleit wordt voor het oude idee dat klanken betekenissen hebben (‘r staat voor ruig’). Ik doe een greep uit een snel groeiend aantal studies: Wichmann e.a. (2010), Fay e.a. (2013), Perlman e.a. (2015), Blasi e.a (2015), Winter e.a. (manuscript). Een beetje eerherstel voor een auteur die nogal op eer gesteld was.

Bibliografie

Blasi, D.E., S. Wichmann, H. Hammarström, P.F. Stadler & M.H. Christiansen. 2016. ‘Sound–meaning association biases evidenced across thousands of languages’. PNAS 113(39): 10818-10823.

Fay, N., M. Arbib & S. Garrod. 2013. ‘How to bootstrap a human communication system’. Cognitive Science 37: 1356–Johansson, N., A. Anikin, G. Carling & A. Holmer. 2019, ‘The typology of sound symbolism: defining macro-concepts via their semantic and phonetic features’. Linguistic Typology.

Perlman, M., R. Dale, G. Lupyan. 2015. ‘Iconicity can ground the creation of vocal symbols’. Royal Society Open Science 2: 150152

Wichmann, S., E.W. Holman & C.H. Brown. 2010. ‘Sound symbolism in basic vocabulary’. Entropy 12: 844-858.

Winter, B., M. Perlman, K. Lynn & G. Lupyan. Manuscript. ‘Which words are most iconic? Iconicity in English sensory words’.