Moord in het bronsgroen eikenhout

                                                                                                          Door Jos van Cann en Peter Winkels

Telefoon uit Maastricht is de titel van een detectiveroman uit 1955 van toenmalig televisiequizmaster Theo Eerdmans (1922-1977). Behalve in de herhaalde aankondiging van het gesprek, komt de Limburgse hoofdstad niet voor in dit boek. En ook de rest van de provincie niet. In onze speurtocht gingen we op zoek naar thrillers en detectives waarin dat wel het geval is. Dit overzicht belicht leven en werk van Limburgse auteurs en van schrijvers die in Limburg wonen, dan wel de provincie gebruiken als decor in hun werk. Maar ook misdaadromans van anderen die Limburg als achtergrond hebben. Daarnaast schenken we aandacht aan uitgeverijen en andere organisaties en personen die actief zijn of waren op het gebied van misdaadliteratuur. Bovendien bekijken we in dit kader ook het werk van ‘gevestigde’ literatoren op elementen uit de misdaadliteratuur.

Limburgs

Het criterium ‘Limburgs’ is strikt gehanteerd. Iedere schrijver die in Limburg geboren is, wordt vermeld, zelfs wanneer zij/hij al heel jong is verhuisd en vervolgens in het werk met geen woord over de provincie rept. Als begrenzing hebben we gekozen voor de geografische entiteit zoals die ook is gehanteerd in de Geschiedenis van de literatuur in Limburg (Nijmegen 2016), het boek dat aan de basis lag van ons project:“Het gaat om de literatuur die tot de cultuurgeschiedenis van de Nederlandse provincie Limburg behoort (…). De gekozen formulering past bij de vele eeuwen die voorafgingen aan het bestaan van de provincie Nederlands-Limburg (pas gecreëerd in 1839). Het grondgebied van de provincie maakte toentertijd deel uit van het Neder Frankische Maasland, een cultuurlandschap gelegen ten westen van de Rijn, ten noorden van het romaanse Luikerland en ten oosten van de Zuid-Brabantse steden, een gebied waarvan de grenzen vaag zijn. (…)” (pagina 9/10). Maar wie in de meest zuidelijke provincie van Nederland woont of werkt, weet dat grenzen betrekkelijk zijn; zeker als het gaat om misdaad. Er is maar liefst 325 kilometer grens; met België en Duitsland. De weerslag daarvan in spannende boeken is evident. We ontkomen er niet aan af en toe de grens over te steken. Dat geldt niet alleen voor de provinciegrenzen.

Ook de afbakening van de domeinen literatuur en misdaadliteratuur is niet altijd duidelijk. Literatuur (zie: Letterkundig lexicon voor de neerlandistiek DBNL) krijgt vaak de kenmerken dat er sprake moet zijn van zaken als kunstzinnigheid, fictief karakter, autonomie van de tekst en specifiek taalgebruik. Daarin zou ‘literatuur’ zich onderscheiden van meer populaire genres. Bij misdaadromans zou men de definitie kunnen geven dat het gaat om romans waarin het oplossen van de vraag naar de dader van een misdrijf, meestal een moord, door speurwerk van de politie, een privé persoon of een (privé)detective centraal staat. Voor detectiveroman of speurdersroman geldt vrijwel dezelfde omschrijving, net als voor politieromans. In de meeste detectives wordt de spanning veroorzaakt door het feit dat er een aantal mogelijke verdachten is en de schrijver de lezer blijft boeien door opbouw van de spanning. De manier waarop een auteur dat doet, illustreert vaak hoe zij of hij zich onderscheidt van anderen binnen het genre en refereert aan de gevestigde literatuur. Of daar mogelijk deel van uitmaakt.

Strikt onderscheid

In het Nederlandse taalgebied wordt desondanks nog altijd een vrij strikt onderscheid gemaakt tussen misdaadliteratuur en de ‘echte’ literatuur. Zo wees Saskia Noort eens in een interview op haar pijnlijkste ervaring als schrijfster, namelijk de opmerking van een journalist die haar vroeg: ‘En wanneer ga je nu eens een echt boek schrijven?’ De vraag verraadt een taai vooroordeel, dat overigens niet typisch is voor Nederland. In Vlaanderen wordt de thriller nog altijd beschouwd als een niemendalletje voor de vakantie, een ‘detektiefje’ voor de (ont)spanning. Boeken voor mensen die anders niet lezen. En zelfs in Frankrijk, waar de ‘littérature noire’ (toespeling op de zwarte omslag van de roemruchte ‘série noire’) op de waardering van mandarijnen als Jean-Paul Sartre, Raymond Queneau of Gilles Deleuze mocht bogen, is de situatie blijkbaar niet anders. In de Québecse krant Le Devoir onderstreepte de Franse misdaadauteur en archeologe Fred Vargas dat schrijvers van politieromans niet beschouwd worden als echte schrijvers: “Pour le moment, la porte est verrouillée entre les deux littératures.” Een citaat van haar uit De Volkskrant van 13 juni 2003 over het onderscheid tussen ‘echte literatuur’ en thrillers, in Frankrijk respectievelijk ‘witte’ en ‘zwarte’ literatuur genoemd: “Ze zeggen dat detectives voor imbecielen zijn die niks anders kunnen lezen. Dat getuigt ten eerste van minachting voor de lezer en bovendien van onbegrip voor de behoefte van de mens aan dit soort romans. In de misdaadroman gaat het om het zoeken naar een oplossing, het is een queeste, precies zoals in de boeken van Balzac en Zola. In de hedendaagse witte literatuur praten schrijvers alleen maar over zichzelf. Nou, wat heb ik daaraan?”, nog steeds volgens Vargas. “Er worden zoveel boeken geschreven die meteen de vuilnisbak in kunnen, en toch noemen we dat ‘echte literatuur’. Natuurlijk koop je een detective met een ander doel dan een ‘serieus’ boek: om te ontlopen, om jezelf te helpen, om te leven. Op die manier, zo wordt mij verweten, is de misdaadroman een medicijn. En wat dan nog? Alle literatuur, alle kunst is medicijn voor de mensheid. In kunst gaat het erom dat we iets anders ervaren dan wat de routine ons biedt.”

“Tegenover de neerbuigende en door geen wetenschappelijk inzicht te schragen uitspraak dat thrillers niet tot de literatuur behoren, staat het populistische vooroordeel, vertolkt door een aantal misdaadauteurs, dat de republiek der letteren een elitair kliekje vormt, bestaande uit parasieten die kwaliteit ontzeggen aan wat goed in de markt ligt. Het komt erop aan de misdaadroman binnen de literatuur te situeren als een genre met eigen waarde en eigen kwaliteiten. En hebben overigens ‘literaire’ auteurs conventies en elementen van de ‘spannende’ romans niet overgenomen? ‘Literature is news that stays news’, zegt Ezra Pound. En laten we vooral Thornton Wilder niet vergeten: ‘Literature is the orchestration of platitudes’. Aan de ene kant nieuws dat nieuws blijft, aan de andere kant de orkestratie van platitudes, van zeer alledaagse opmerkingen – maar het is natuurlijk wel de orkestratie, de bewerking die telt.”

In het algemeen kleeft er aan misdaadliteratuur een odium van oppervlakkigheid. De personages heten niet uitgewerkt te zijn. In de Nederlandse misdaadliteratuur is er in de laatste decennia juist een ontwikkeling in deze zin zichtbaar naar misdaadromans die zich meer in de richting van de gevestigde literatuur ontwikkelen. Die ontplooiing lijkt parallel te lopen met de opkomst van de ‘literaire thrillers’, waarbij het bijvoeglijk naamwoord nogal eens vraagtekens oproept. Deze ontwikkeling is mede boeiend, omdat er in de literatuur binnen de canon in de laatste dertig, veertig jaar een tendens is waar te nemen, waarbij de auteurs elementen uit de misdaadliteratuur toepassen in hun romans. Maarten ’t Hart (Het woeden der gehele wereld, 1994) en Tim Krabbé (Vertraging, 1995) werden bijvoorbeeld bekroond met de Gouden Strop, de prijs voor de beste (oorspronkelijk) Nederlandstalige spannende roman. Zeer tot ongenoegen van de misdaadauteurs overigens.

Misdaadpad

Hoewel de gevestigde literaire auteurs altijd met enig dedain keken naar het misdaadgenre, is er al langer sprake van een zekere wisselwerking. Met name in de jaren vijftig en zestig was het onder hoogleraren ‘bon ton’ om een ‘detektiefje’ te schrijven. Professoren als bijvoorbeeld Piet Geyl, Hélène Nolthenius, Jacques Presser en Karel van het Reve sloegen het misdaadpad in met een of meerdere romans. Niet altijd even verdienstelijk, trouwens. René Appel is een recent en uiterst succesvol voorbeeld. Daarnaast waren er ‘gevestigde’ auteurs die op allerlei mogelijke manieren een uitstapje maakten naar het spannende genre (vaak onder pseudoniem): Simon Carmiggelt, Hella S. Haasse, Willem Frederik Hermans, Leon de Winter en Jan van Mersbergen bijvoorbeeld. Maar ook een minder bekende auteur als Peter Delpeut doet dat vindingrijk. Daarentegen is er de laatste jaren ook te zien dat thrillerschrijvers boeken van literair niveau produceren, zoals Bram Dehouck en de gebroeders Heerma van Voss; naast Michael Berg en Jos De Wit.

Als het gaat om het schrijven van misdaadliteratuur hebben hooggeleerden van de Maastrichtse Alma Mater – zover wij op de hoogte zijn – zich, met uitzondering van toxicoloog prof.dr. Jos Kleinjans (1954 – begin jaren tachtig en onder de naam J.J. de Lochte) nog nauwelijks op die weg bewogen. Overigens: de Zweedse jurist Joakim Zander (1975) studeerde, werkte en promoveerde aan de Maastrichtse universiteit en publiceerde inmiddels drie goed ontvangen politieromans: The Friend (2017, nog niet vertaald); De redding (2015) en De zwemmer (2013). De constatering lijkt ook kenmerkend voor de Limburgse literatoren. Hoewel er veel schrijvers spanningselementen uit de misdaadliteratuur in hun ‘reguliere’ letteren gebruiken, zijn er niet of nauwelijks die zich zetten tot het schrijven van een thriller. Dat laten zij blijkbaar aan hun vakbroeders en zusters binnen dat genre.

We hebben geprobeerd bovenstaande kwalificaties en feiten als richtlijn voor dit overzicht te hanteren. Onze inventarisatie van auteurs uit Limburg is in principe alfabetisch van opzet. Daarnaast belichten we zoals gezegd schrijvers ‘van buiten’ die hun thrillers in de meest zuidelijke provincie situeerden. Uiteraard streven we naar zorgvuldigheid, naast compleetheid (voor zover achterhaalbaar). Volledig; het woord zegt het al: meer dan goed gevuld maar tevens leeg. Dat laatste gaat een beetje ver, maar ons lexicon streeft naar volledigheid. Niettemin zijn wij ons ervan bewust dat het alleen een loffelijk streven kan zijn. Bij sommige auteurs leek het ons daarnaast een goede aanvulling om een vraaggesprek toe te voegen. Bovendien zijn er onderdelen over personen die betroken zijn bij het hele literaire proces (boekbezorgers) en over True Crime.

 Bij iedere auteur geven we een of meerde relevante titels van spannende boeken uit zijn/haar oeuvre. Boeken die zich in Limburg afspelen, worden (ook al zijn ze in eigen beheer uitgegeven) besproken. Omwille van de overzichtelijkheid hebben we een en ander gegroepeerd. Na deze inleiding volgt het lexicon met daarin ook bij auteurs verwijzingen naar andere relevante hoofdstukken Interviews, Boekbezorgers, True Crime, Film, toneel e.d. en Bij de buren.

Limburg als Plaats Delict

De roman Moord! – ondertitel: Een onderzoek door inspecteur Deloor van de centrale recherche – zou men de eerste detective van een Limburgse auteur kunnen noemen. De schrijver, August Defresne (1893-1962), publiceerde hem in 1931. Maar het boek speelt zich helemaal af in Amsterdam. Het is een speurdersroman, deels in de traditie van Sherlock Holmes, met misschien wel al een speelse vooruitwijzing naar de permanente botsingen tussen (hoofd)commissaris en rechercheur die terug te vinden zijn in de boeken over De Cock en andere politieromans.

Defresne werd weliswaar geboren in Maastricht, maar ging als student al naar Amsterdam en hij bleef er. Hij hield zich vooral bezig met toneel, hoewel hij in 1961 ook nog De inbreker publiceerde, wellicht voornamelijk bekend door de verfilming van Frans Weisz met Rijk de Gooyer in de titelrol (1972). Het relaas over hoofdpersoon Glimmie speelt zich ook grotendeels af in de hoofdstad.

Moorden in Maastricht van F(rans) van Overvoorde (pseudoniem van Francine Augusta Haak-Ochsendorf) is de eerste thriller die Limburg als decor heeft, zover wij dat hebben geconstateerd. Het boek dateert van 1936, 1937 of 1939, dat is niet duidelijk. In de uitgave die in ons bezit is, staat in druk geen jaartal van verschijnen vermeld. Ook over de auteur is weinig tot niets te vinden. Om het geheel nog complexer te maken: het verhaal wordt verteld door de Haagse journaliste Mia Oroshàra. Tijdens een carnavalsbal in de Redoute in Maastricht wordt er een moord gepleegd. Slachtoffer is een Utrechtse rechercheur. De dode blijkt een nogal misdadig verleden te hebben. Al snel wordt een politieman gearresteerd als dader; de vriend van de vertelster. Het hele feestgezelschap is aanwezig in Maastricht op invitatie van lokale notabelen. Als er na enige tijd opnieuw een dode valt, in een tuinhuisje te Scharn, een ‘volksmeisje’ (de sociale tegenstellingen zijn nogal nadrukkelijk aanwezig in dit boek), misleid en verleid door het eerste slachtoffer, lijkt alles weer anders te liggen. Knap speurwerk in de traditie van de Britse thrillers, voert (met enige toevalligheden) tot de oplossing. De leider van het politieonderzoek in de Limburgse hoofdstad wordt FF genoemd, een knipoog naar GG uit de boeken van Ivans (de voorganger van Havank). Qua stijl en opzet doet Moorden in Maastricht ook aan Ivans denken. De sfeer van carnaval en de ‘couleur locale’ van de stad lijken goed getroffen en ook het geciteerd dialect is correct. Maar we kunnen helaas niet spreken over een waar meesterwerk als eersteling.

Moord in het bronsgroen eikenhout, Lexicon Misdaadliteratuur in Limburg, Uitgeverij Leon van Dorp, Heerlen /ISBN: 978-90-79226-60-3 Prijs: 19,50 euro  / 110 pagina’. Verschijnt 28 oktober.