Lezen is denken

Door Marc van Oostendorp

Wat zou het handig voor ons vak zijn als je van lezen een beter mens werd! Stel je voor: je overhandigt je buurjongetje dat op school niet wil deugen een exemplaar van De nachtstemmer, en zie: ineens kan hij wél meekomen. Of plaagt hij in ieder geval zijn zusje niet meer. Neerlandici als wonderdokters – de salarissen zouden razendsnel stijgen en als gevolg daarvan daarna al even vliegensvlug de studentenaantallen.

De gedachte dat lezen op de een of andere manier ‘nuttig’ is, is niet helemaal vreemd aan onze cultuur. In 2012 schreef een Belgische politierechter aan een verkeersovertreder voor dat hij Tonio moest lezen, A.F.Th. van der Heijdens boek over het dodelijke ongeluk van zijn zoon.

Algemene waarheden

Maar als het lezen nuttig is, waar is het dan nuttig voor? Wat leer je precies van literatuur? Ik vermoed dat we het er vrij snel over eens kunnen zijn dat tegen je zin een boek als Tonio lezen niet noodzakelijkerwijs het gewenste resultaat heeft. En zelfs mensen die zo’n boek met hun zin lezen, kunnen weleens tot heel verschillende conclusies komen.

Wat is het nut dan wel? Daarover gaat een lucide boekje van de jonge Antwerpse filosofe Leen Verheyen: Wat de lezer leert.

De ondertitel van het boekje is: ‘Filosofen over het nut van de literatuur’, maar dat is te bescheiden. Verheyen bespreekt weliswaar in het bestek van ongeveer 60 pagina’s de belangrijkste stromingen in het denken over dat ‘nut’ van literaire fictie, maar ze komt vervolgens vooral met een verhelderende eigen synthese. Ze had zich heus niet zo achter die ‘filosofen’ hoeven te verschuilen.

Er zijn, schrijft ze, al sinds Plato en Aristoteles twee opvattingen over de zin van de letteren.

Ulysses

De eerste opvatting is dat je uit literatuur allerlei dingen kunt leren; dat er waarheden zijn die je óók, of zelfs exclusief, uit fictie kunt leren. Soms zijn dat misschien feiten, maar vaker nog zijn het bijvoorbeeld algemene waarheden over hoe het leven in elkaar zit, of over hoe andere mensen denken. Dat het wereld een schouwtoneel is, bijvoorbeeld, of dat alle gelukkige gezinnen op elkaar lijken.

In de eerste opvatting gaat het dus primair om de inhoud en niet om de vorm, die misschien een aantrekkelijk omhulsel is voor de lessen die je kunt leren.

In de tweede opvatting heeft de literatuur geen nut, want ze is ‘autonoom’. Met de werkelijkheid heeft ze niet zozeer te maken. De nadruk ligt daardoor in deze literatuuropvatting veel meer op de vorm in deze opvatting. Van literatuur geniet je om esthetische motieven, maar je wordt er op geen enkele manier een beter mens van.

De tweede gedachtegang kwam ongeveer op in de tijd dat in de literatuur het modernisme ontstond. De ‘betekenis’ van modernistische romans als Ulysses is notoir lastig vast te stellen en dan ligt het voor de hand om je exclusief te richten op de vorm.

Heen en weer springen

Dit laatste standpunt gaat voorbij aan het feit dat ook modernistische literatuur natuurlijk een uitspraak doet over de werkelijkheid. Alleen wordt die bijvoorbeeld als verbrokkeld ervaren, zodat deze alleen in een eveneens verbrokkelde vorm kan worden uitgedrukt.

Vorm en betekenis hangen dus samen – op het eerste gezicht een vrij triviale observatie, maar een die het nut van de literatuur in een nieuw daglicht stelt. Literatuur laat in een steeds nieuwe vorm steeds nieuwe werelden zien, steeds nieuwe inzichten. Lezen is een ingewikkeld proces van steeds heen en weer springen tussen vorm en betekenis om zo tot een interpretatie te komen.

Meetbaar

Zo komt Verheyen dan uiteindelijk uit bij haar eigen opvatting van het nut van literatuur. Die ligt volgens haar niet zozeer in het vinden van een of andere waarheid, maar in het denken. De complexiteit en meerlagigheid van literatuur zet je aan het denken, en dan met name over de grote vragen: wat moet je aanvangen met je leven? Hoe denken andere mensen? Wat is eigenlijk de zin van dit alles?

Het zijn vragen waarop vermoedelijk geen ‘waar’ antwoord te vinden is, terwijl mensen wel degelijk behoefte hebben aan antwoorden, al is het maar tijdelijke. Je moet in zulke gevallen dus niet zoeken naar de waarheid, je moet nadenken. En literatuur is bij uitstek geschikt om te dienen als een voertuig voor zulk nadenken.

Literatuur heeft dus wel degelijk nut – ook als dat een nut is dat bijna per definitie niet meetbaar is.

Leen Verheyen. Wat de lezer leert. Filosofen over het nut van literatuur. Borgerhout: Letterwerk, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.