Ida Gerhardt, Vogelvrij. Over het Nederlandse vers

Door Jos Houtsma

Kinderen van een prachtig ras
– ik kwam hun noordelijk dorp voorbij – 
scholden en achtervolgden mij
en één smeet raak met een pol gras.
En toen ik hen ontkomen was
zat ik tussen een wilgenrij,
een oude vrouw in de maand mei
en sloeg de kluiten van mijn jas.
Kinderen zijn oprecht en wreed:
zij zagen mij de dichter aan
en deden frank, wat meer discreet
de wereld dagelijks heeft gedaan. 

Er is over dit gedicht wel het nodige te zeggen. Mij gaat het hier om de versmaat.

W. Bronzwaer heeft Vogelvrij in 1993 gebruikt als voorbeeld in eenuiteenzetting over vers, metrum en ritme, en daar wil ik in dit stukje graag even bij stilstaan. Bronzwaer noemt Vogelvrij een metrisch gedicht, waarin per versregel zowel het aantal lettergrepen als het aantal beklemtoonde lettergrepen aan regels is gebonden. Maar het metrisch schema, merkt hij op, is moeilijk benoembaar. Je kunt ‘het gedicht als een regelmatig gebouwd vers […] beschouwen met acht lettergrepen per regel […] en gebaseerd op het metrische schema van de jambische tetrameter,’ maar echt lekker ligt dat niet: in de eerste versvoet van de eerste, de derde en de negende regel,  in de derde versvoet van de vierde regel en in de derde versvoet van regel 7 moet het versaccent op een soms nogal ongemakkelijke manier verschoven worden; ook in regel 6 vindt accentverschuiving plaats; in regel 2 moet je contractie toepassen op noordelijk, evenals op dagelijks in regel 12.

Bronzwaer constateert dat in ieder geval de eerste regel van de eerste en de derde strofe (met contractie op kinderen) gelezen kunnen worden als trocheïsche tetrameters, en hij oppert dat Gerhardt in Vogelvrij experimenteert met twee ritmen die ze tegen elkaar uitspeelt: een trocheïsch ritme dat hij associeert met kindergedichten, en een jambisch ritme dat hij typeert als een ‘volwassenenritme.’ Maar is dat terecht?

Jambe, trochee, tetrameter zijn termen uit de klassieke retorica. Welke metrische fenomenen er oorspronkelijk mee werden beschreven weten we niet goed. In klassieke bronnen wordt versmaat beschreven als een fenomeen van duur. Quintilianus, Institutio Oratoria IX, 4, 47, zegt dat ‘zelfs kinderen weten dat de lange lettergreep twee keer de duur heeft van een korte’. De terminologie van de klassieke retorica is geïntroduceerd in het kader van de discussie over de hervorming van het Nederlandse vers die in de tweede helft van de zestiende en de vroege zeventiende eeuw werd gevoerd. Het is heel gek. De oude dichters en verstheoretici meenden naar het zich laat aanzien in alle oprechtheid bij regelmatig gebouwde Nederlandse verzen versvoeten waar te nemen die bestonden uit lange en korte lettergrepen. In werkelijkheid is het metrische Nederlandse vers zoals dat zich in deze periode vormde ‘syllabotonisch’: het taalmateriaal is zo geordend dat het mogelijk is versregels te lezen volgens een regelmatig patroon van versaccenten, waarbij de heffingen als regel samenvallen met beklemtoonde lettergrepen en de dalingen  met onbeklemtoonde lettergrepen, en waarbij afwijkingen – antimetrieën – acceptabel zijn zolang ze functioneel zijn, en binnen een aantal categorieën vallen die bij Bronzwaer worden aangeduid met termen als ‘stille heffing’, ‘inversie,’ ‘syncope.’ e.d. 

Een terminologie die gebruik maakt van klassieke benamingen als jambe, trochee, dactylus etc. is in feite niet geschikt om Nederlandse verzen te beschrijven. Zelfs de term versvoet is misleidend. Handiger is het te spreken over regelmatige patronen van heffingen en dalingen. De meest gebruikelijke metrische figuur zou men ‘enkeldalig’ kunnen noemen: die waarin heffingen en dalingen elkaar om en om afwisselen. Het – minder frequent voorkomende – alternatief zou men kunnen aanduiden als ‘dubbeldalig’: versvormen waarbij heffingen van elkaar gescheiden worden door een dubbele daling. Variaties in versvormen ontstaan hoofdzakelijk door variatie in het aantal heffingen; door het al dan niet aanwezig zijn van een voorslag, bestaande uit één of (eigenlijk alleen bij patronen met een dubbele daling) twee onbeklemtoonde lettergrepen; en door het al dan niet aanwezig zijn van één of twee onbeklemtoonde lettergrepen aan het eind van de versregel. Maar in principe zijn er ook andere variaties mogelijk.

Een bekend voorbeeld is Boutens’ Ode aan Sapfo, waarin door kunstige combinatie van enkeldalige en dubbeldalige elementen de klassieke versmaat van de sapfische ode wordt nagebootst:

Weinig losse parelen uit het halssnoer _ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ
Dofgestolde tranen van hel verlangen _ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ
Van een kind van koningen dat begraven _ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ
Werd in haar bruidsuur… _ᴗᴗ_ᴗ

Over het algemeen kun je zeggen dat dichters van metrische poëzie zich trouw hebben gehouden aan het format dat aan het eind van de zestiende eeuw is ontstaan, al zie je in de twintigste eeuw hoe dichters steeds nadrukkelijker de grenzen zoeken van wat nog klinkt. Bij een dichter als Nijhoff vallen antimetrieën binnen de geldende termen van metrische poëzie, zoals bijv. de inversies in de laatste drie regels van de tweede strofe van Het souper

Als water woelden in den nacht de landen ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ
onder het huis; we voelden hoe een groot _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
waaien ons aangreep, hoe de wieken van de _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ
vaart van den tijd ons droegen naar den dood. _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_

Van Vestdijk citeert Bronzwaer (p. 73) een strofe van ‘De phantast,’  waarin de dichter heel ver gaat in het afwijken van de metrische schema’s, ‘die hij niettemin halsstarrig bleef toepassen’ – ik ben geneigd het effect te beschrijven als ‘expressionistisch’ (de phantast is overigens een personage uit de Anton Wachtromans, Jan Breedevoort) :  

Hij zwoer, – van jongsaf alle sprookjes machtig, – ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ
Dat hij haar blonde hoofd weg had zien springen _ᴗᴗ_ᴗ_ _ᴗᴗ_ᴗ
En dat de neger jankte, en ’t beestachtig _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ _ _ᴗ
Lijf van de gewichtenheffer te wringen… _ᴗᴗᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ

Van Slauerhoff bespreekt Bronzwaer een  geval, niet van antimetrie, maar van een ‘technisch mankement’ in de eerste regel van de tweede strofe van De albatros:

Ten Zuiden van de Hoop- en Stormkaap ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ _
Hindert geen kust, geen klip mijn steile vaart, _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Waar de albatros ook op zijn wieken slaapt ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Boven den storm door sterren aangestaard. _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_

Dat de eerste regel niet metrisch is, lijkt me inderdaad evident. De ontbrekende lettergreep kan worden aangevuld door diëresis  (“Storremkaap”), maar dat levert een potsierlijk effect op. De vraag is of de regel inderdaad als een technisch mankement moet worden beschouwd. Ik zou denken dat we op deze plaats (en op nog heel wat meer plaatsen in Slauerhoffs oeuvre) te maken hebben met  een welbewuste schoffering van het format, die men zou kunnen beschouwen als een authentieke bijdrage van de recalcitrante dichter aan de Nederlandse prosodie. 

Maar terug naar Ida Gerhardt. Een dichteres van de twintigste eeuw. Dat Gerhardt de metrische poëzie tot in haar vingertoppen beheerste, hoeft nauwelijks betoog. In een gedicht als Terugkeer (Ida Gerhardt, Verzamelde gedichten. Amsterdam, 2001, p. 411) weet ze zelfs zonder geforceerdheid de ‘sapfische ode’ te beoefenen: 

Machtig baken, lichtende in de nachten,
wenk het schip , dat veilig de kust bereike
die de vaart, de eenzame, haast volbracht heeft,
lang in den vreemde.

Moet je dan in het geval van Vogelvrij met Bronzwaer spreken van een experiment met de grenzen van het metrische format? Ik betwijfel dat.

Er is ook een andere verklaring denkbaar. Het syllabotonische format is immers niet het enige dat in de geschiedenis van de Nederlandse letterkunde door dichters is toegepast. Vóór de triomf van het renaissancevers – en ook daarna nog – werd er poëzie geschreven in een versmaat die doorgaans wordt aangeduid als heffings- of accentvers.

Het heffingsvers is een moeilijk grijpbaar fenomeen en formele criteria zijn niet eenvoudig te beschrijven. In de literatuur is evenwel een redelijke consensus dat het heffingsvers een versvorm is waarin het aantal lettergrepen niet vast is, maar waarin als regel wél een vast aantal heffingen wordt aangetroffen: beklemtoonde lettergrepen die een versaccent dragen. In Middelnederlandse poëzie kan het aantal lettergrepen tussen de versaccenten sterk uiteenlopen. Vaak is het moeilijk te bepalen hoe een versregel gescandeerd moet worden. In  liedteksten blijkt echter – ongetwijfeld onder invloed van de melodie – minder vrijheid te heersen dan in poëzie die niet voor de zang was bedoeld. Van de teksten van de liederen uit de liedboekjes die in de 16e eeuw populair werden is herhaaldelijk gezegd dat ze ‘neigen naar het jambische’.  Voor de beroemde liederen uit het Gruuthuse-handschrift (eind veertiende eeuw) geldt hetzelfde. Laten we als voorbeeld even kijken naar het beroemde lied over de leeuwerik: 

Aloeette, voghel clein, _ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Dijn nature es zoet ende rein, _ᴗ_ᴗᴗ_ᴗᴗ_
So es dijn edel zanc. ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Daer dienstu met den Here allein ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_
Te love om sinen danc. ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_
Daer omme bem ic met di ghemein. ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_
Ander voghel willic ghein _ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Dan di, mijn leven lanc. ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Aloeette etc

Nider boos, onreine villein, _ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_
Die rouc die is wel dijn compein, ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Neemt die in u bedwanc! _ᴗᴗ_ᴗ_
Laet minlijc hertzen sijn bi eyn _ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Sonder loos bevanc! _ᴗ_ᴗ_
Aloeette etc.

Het beeld is duidelijk. 4-4-3-4-3, 4-4-3, 4-4-3-4-3; in de meeste regels een regelmatige afwisseling van heffingen en dalingen, maar van tijd tot tijd ook dalingen van twee lettergrepen (vaak elideerbaar); er zijn plaatsen die het best zo gescandeerd kunnen worden dat heffingen op elkaar volgen zonder daling (in gezongen teksten geen enkel probleem); en  – heel typerend –  regels met voorslag en zonder voorslag die elkaar vrij afwisselen. De Gruuthuse-liedteksten lopen geen moment het risico te vervallen tot een ‘dreun’,  maar blijven  steeds uitermate zingbaar.

Als je na deze excursie opnieuw naar Vogelvrij kijkt, vallen, dunkt mij, de stukjes moeiteloos op hun plaats: 

Kinderen van een prachtig ras _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_ –
ik kwam hun noordelijk dorp voorbij – ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_
scholden en achtervolgden mij _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_
en één smeet raak met een pol gras. ᴗ_ᴗ_­ ­ᴗᴗᴗ_
En toen ik hen ontkomen was ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
zat ik tussen een wilgenrij, _ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_
een oude vrouw in de maand mei ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ _
en sloeg de kluiten van mijn jas. ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
Kinderen zijn oprecht en wreed: _ᴗᴗ_ᴗ_ᴗ_
zij zagen mij de dichter aan ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
en deden frank, wat meer discreet ᴗ_ᴗ_ᴗ_ᴗ_
de wereld dagelijks heeft gedaan. ᴗ_ᴗ_ᴗᴗ_ᴗ_

Helemaal zo vrij als het middeleeuwse lied is deze tekst niet. Met enig kunst en vliegwerk kun je Vogelvrij inderdaad, zoals Bronzwaer deed, binnen het format van de metrische poëzie brengen. Maar ik maak me sterk dat het gedicht niet zo is bedoeld. Mevrouw Gerhardt, een erkend meesteres van het Nederlandse vers, heeft met Vogelvrij een  (als je naar de inhoud kijkt misschien tamelijk onuitstaanbaar, maar) technisch perfect beheerst gedicht geschreven, waarvan het vers onmiskenbaar doet denken aan dat van een middeleeuwse liedtekst. Een experiment? Ik denk het niet. In ieder geval geen experiment met het format van de metrische poëzie. Deze verzen zijn heffingsverzen.

Dit bericht is geplaatst in geen categorie. Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter