Gedicht: J.H.Leopold • Zomernacht

Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij hier bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat 135 jaar geleden in een studentenalmanak werd afgedrukt: ‘Zomernacht’. Een romantisch natuurtafereeltje, met een avondstemming, een nachtsfeerschildering, iets met weilanden en nevelslierten – het zal allemaal wel. Het is een gedicht waar ik zonder voorkennis schouderophalend overheen gelezen zou hebben. Er zijn zoveel dichters die zulk soort schetsjes hebben geschreven, met een gevoelig woordje hier en een stoplapje daar. Zo ook deze student, die zijn naam er niet onder zette.

Maar dat werd anders toen ik las dat dit een gedicht van J.H. Leopold was. En niet zomaar een gedicht van J.H. Leopold, maar ook nog eens het allereerste gedicht dat hij ooit publiceerde, voor zover wij nu weten. Dick van Halsema, die werkt aan een biografie van de dichter, ontdekte het vijf jaar geleden in de Leidse Studentenalmanak van 1885. Hij toonde overtuigend aan dat dit anonieme vers van Leopold was.

Zie eens hoe subtiel deze jonge student-dichter de nevelslierten laat overgaan in schimmen uit het dodenrijk. Zie hoe gevoelvol hij hun treurige bestaan uitlicht als zij weer terug moeten sluipen naar hun donkere rijk, op het moment waarop de lichtgod (wij zouden zeggen: de zon) zich aandient. En, ach – alleen wat tranen laten zij achter; dat zijn de dauwdruppels op de bloemkelken. Een meesterwerkje, bij nader inzien. Als je goed kijkt, kun je hier de latere dichter J.H. Leopold al door de regels heen zien schemeren – zeker als je weet dat hij de dichter ervan is.”

Zomernacht

Zachtkens daalde de avond; over de weiden,
Over de korenhalmen, die zich dommelend
Wiegelen, hangen witte, alles omhullende
                          Nevelsluiers.

Schimmen zijn ’t, uit den Hades opgestegen,
Die des nachts bij ’t zwakke sterrenschijnsel
Zwerven langs eens zoo geliefde oorden,
                         Treurig te moede.

Reeds verbleekt het maanlicht en de schare
Sluipt terug naar ’t donkere rijk der dooden,
Zwijgend; op het vale aangezicht zetelt
                         Bittere weemoed.

En de eerste stralen van den lichtgod
Spiegelen zich in tranen, die op iedere
Bloemkelk nederdrupten van de bleeke
                         Bloedlooze kaken.

J.H. Leopold (1865-1925)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Illustratie: Wikimedia