Gedicht: Carel Vosmaer • Vivisectie

 

Vivisectie

Honderdduizend menschen, levend,
In den oorlog snijden, kerven,
Dat was altijd eeregevend,
Kon ons lauwren doen verwerven.
Onvermijdlijk, nuttig kwaad,
Dient dit middel kerk en staat.
Preventief te detineeren
Zal geen rechter ook onteeren.
’t Wormpje aan den haak geslagen,
Kronklend, smartelijk gemarteld,
’t Vischje in zijn kieuw te prangen.
Wen het in zijn doodsangst spartelt,
Lijsters in een strik gehangen,
Haas, patrijs en reeën jagen,
Wie die ’t edel jachtvermaak
Wreedheid noeme, vroom het laak’?
Gaf de Schepper, goede gever,
Ons ook niet den ganzenlever?
Die geen muschje vallen laat
Weigert ons geen vinkgebraad.
Coelibaat van priesters, ruinen,
Ossen, katers en kapuinen,
Dat is godlijke directie –

Maar, vervloekt die vivisectie!


Carel Vosmaer (1826-1888)
uit: Gedichten (1887)



Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.