Fuif: een woord van onbekende herkomst?

Door Renaat Gaspar

Woorden waarvan men de afkomst niet kent, kunnen je aandacht blijven trekken, ook al zijn ze inmiddels – in Noord-Nederland althans – betrekkelijk obsoleet geworden. Zo een woord is ‘fuif’: een niet-openbaar, besloten feest.

Het onderzoek tot nu toe

‘Fuif’ zou volgens Knuttel in het WNT s.v. ‘Fuif’ óf een Nederlands-Indisch óf een studentenwoord zijn. Het zou ontstaan zijn ca. 1850 of nog later. Raadpleging van de Etymologiebank.nl/trefwoord/fuif levert voorts op: alle etymologische woordenboeken zeggen kortweg: herkomst onbekend. Op twee na. De eerste is Vercoullie (1925); hij voegt eraan toe: ‘misschien wel uit het studentenduitsch Pfeiffe’. Dat is dus een blote veronderstelling, zonder enige nadere toelichting. De tweede is De Coster (1992); hij geeft een veel uitgebreidere verklaring. In M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands staat zijn betoog als volgt samengevat:

Herkomst onzeker. Volgens De Coster 1992 is het werkwoord fuiven ouder dan het zn., en ontleend aan Latijn fovēre ‘verwarmen, verkwikken’, vooral verkwikken van het lichaam met lekker eten. Misschien is het deelwoord gefoven oorspronkelijk (bij een niet geattesteerd *foven) en is de ui te verklaren naar analogie met bijv. wuiven/gewovenruiken/geroken.
Studenten zouden het woord in soldatenkringen (onder officieren) aan de Koninklijke Militaire Academie in Breda hebben verspreid, waarna het via deze officieren de huidige betekenis van ‘feestvieren’ heeft verkregen. Het woord fuif werd eerst gebruikt voor een studentenfeest, later werd het meer een algemeen jongerenwoord.

Er zitten enige haken en ogen aan deze uitleg. De herkomst uit Breda, de afstamming van het Latijn en de moeizame klankovergang fuiven-gefoven, analoog aan wuiven-gewoven en ruiken-geroken, dat alles lijkt weinig plausibel.

Zouden het werkelijk een opleidingsinstituut van de krijgsmacht zijn geweest waar de woorden fuif (feest) en fuiven (feesten) aan het Latijnse fovere (verwarmen, verkwikken) ontleend zijn? Kennis van het Latijn is en was bij soldaten niet zeer voor de hand liggend, ook niet bij de halfwas officieren-in-opleiding op de KMA in Breda in de 19e eeuw. En voor feestvieren was tijdens die opleiding in de krijgswetenschap bitter weinig gelegenheid, want zo was de situatie ca. 1850: 

‘De KMA met vierjarige cursus dankte haar faam aan haar goede, op de praktijk gerichte hogere beroepsopleiding voor jongens in de leeftijd van dertien tot zeventien jaar. (…) Tijdens de duur van hun opleiding verbleven de cadetten intern op het Kasteel, enerzijds om hen af te schermen van de ‘verderfelijke’ stadse invloeden en anderzijds om hen op die manier de militaire geest in te prenten. (…) Het leven werd beheerst door strenge tucht. Vrijwel alle handelingen van de cadetten werden op commando verricht. De opleiding was bepaald niet licht te noemen. Verspreid over zes dagen per week waren de cadetten minimaal 55 uur in touw. Al naar gelang de tijd van het jaar – ’s zomers of ’s winters – werd het reveille om half vijf of om zeven uur geblazen.’ [Geciteerd uit: Paul van der Velde, Een Indische liefde. P.J. Veth (1814-1895) en de inburgering van Nederlands-Indië. p.67-68. Zie verder: Jaarboekje van de Koninklijke Militaire Akademie, Breda 1851.]

En zouden deze
1. jonge jongens, 
2. zonder enig onderwijs in het Latijn, 
3. het weinig gebruikelijke woord fovere hebben gebruikt om een 
4. geheel anders klinkend woord fuiven in het leven te roepen,
6. waarvan het substantief fuif zou zijn afgeleid? 
Onwaarschijnlijk.

De bronnen

Niettemin blijft de omstandigheid bestaan, dat fuif in alle verklaringen verbonden wordt met de studentenwereld; het woord zou dáár ontstaan zijn. Toch is dat allerminst zeker. De feiten tonen immers iets anders aan. Een feest in de (Leidse) studentenwereld heette volgens W. Otterspeer (in De wiekslag van hun geest: de Leidse universiteit in de 19e eeuw,1992, p.331) een jool. Pas in 1883 is de synonymie van jool en fuif onmiskenbaar geattesteerd; zie verderop in dit artikel. 

Maar, zoals gezegd, het WNT geeft nog een andere mogelijke herkomst: Nederlands-Indië. En inderdaad, met behulp van Delpher waren de volgende feiten te achterhalen.

Fuif komt vanaf 1862 voor in een aantal Nederlands-Indische kranten. De eerste vermelding is – tweemaal – te vinden in de Java-bode van 17 september 1862 naar aanleiding van een te verlenen spoorwegconcessie:

-Heb je ’t gehoord?
-Dat de Raad van Indie vernieuwd zal worden?
-Neen, dat niet! maar dat er te Samarang een fuif zal plaats grijpen. (…) Men zal daar feest vieren, omdat de voorloopige koncessie voor den spoorweg is verleend geworden.
-Dat vindt ik zeer ontijdig en vrij gewaagd van die goede lieden dáár, het stuk moet immers [nog] naar Nederland (…). Daarom is het dan ook van de Samarangers eene groote dwaasheid, om nu reeds zoo’n fuif uit te halen.

De tweede maal komt ‘fuif’ voor in diezelfde Java-bode vijf jaar later, op 13 maart 1867:

Verschillende artikels komen in de laatste Nos der “Selompret Melajoe” voor over het al of niet wenschelijke van de zoogenaamde “sedekah maleman” [gratis feestmaal]. Vele stemmen verheffen zich voor de afschaffing, omdat die feesten den minderen javaanschen hoofden veel soesah bereid en vele onkosten worden op den hals gehaald. (…) De dwaasheid van den Pattih van Tagal, die beweren wil, dat het feestvieren den hoofden op die wijze goedkooper uit komt, omdat zij nu gezamentlijk een groote fuif geven, terwijl zij het anders ieder afzonderlijk zouden doen, is te ongerijmd om te weerleggen.

Daarbij blijft het niet, want tot 1890 zijn er nog heel wat andere vindplaatsen: 

  • 5x in De Java-bode (25-12-1867, 10-6-1870, 29-7-1873, 27-7-1885 en 12-8-1860); 
  • 2x in De locomotief  (18-3-1868 en 7-3-1883); 
  • 3x in De Sumatra-courant (29-10-1873, 8-6-1880, 27-11-1880); 
  • 5x in het Soerabaijasch handelsblad (8-7-1879, 30-10-1879, 22-12-1879, 6-1-1880 en 6-12-1880); 
  • 1x in het Samarangsch handels- en advertentieblad van 7-3-1884; 
  • 1x in De grondwet van 2-9-1884; 
  • 1x in het Bataviaasch nieuwsblad van 16-12-1886.

Relatief laat, in Het nieuws van den dag: kleine courant van 11 maart 1881, verschijnt ‘fuif’ voor het eerst in een Nederlandse krant en wel in een berichtje over een weldadigheidsfeest bij Marinus, vermoedelijk de naam van een etablissement met ruimte voor een biljart en gelegenheid voor een ‘koekkoekspel’:


Annonce in Het nieuws van den dag: kleine courant van 11 maart 1881

Voor de gewonden in de Transvaal ontvingen wij nog:
Van S. enz. der O.V.E., te H. ƒ 0,48½ 
Van een potjespartij van de N.C. ƒ 71,03
Van een koekkoekspel ƒ 1,25
Gecollecteerd op de fuif van Marinus ƒ 8,-
Motto: Op den Boer gehouden ƒ 2,10
G.v.R. ƒ 5,-

Op 22 januari 1883 verschijnt fuif opnieuw in een Nederlandse krant, en nu wordt het – zij het indirect – in verband gebracht met het studentenleven. 

In de Arnhemsche courant verscheen onder de kop ‘Brieven uit Amsterdam’ en ondertekend door ‘Amstelaar’ het volgende bericht.

Amice!

Neen, maar, nu hadt ge gisterenavond hier bij ons eens in Volksvlijt moeten wezen! Dat is me eerst een kolossale jool geweest, een fuif van belang! Ge herinnert u misschien nog wel de kranige studentenpartijen van dezen zomer, bij gelegenheid van het groot academisch lustrum? Welnu, dat liep toen alles zoo netjes en zoo plezierig van stapel, dat er noodzakelijk een contra-feest van de burgerij aan de studenten volgen moest.

Dat fuif ruim 20 jaar, na zijn Indisch debuut met een verbinding naar ondernemende burgerij aldaar, in Nederland geassocieerd werd met de studentenwereld, blijkt nogmaals – maar nu rechtstreeks –  uit het volgende.

In De Haagsche courant van 8 november 1886 stond een grappig stukje waarin verschillende mensen (o.a. de soldaat, de bankier, de dokter, de dichter) hun kijk op het leven gaven. Dat leverde allerlei humor op.

Wat is het leven?

De soldaat: Een al te zwaar gepakte ransel, dien men moeite heeft te torsen.
De bankier: Een wissel op al te korte termijn.
De zondagsjager: Een jacht: men legt aan, maar treft nooit.
De wiskunstenaar: Niets; want men kan het niet zien.
De dokter: Leer, want vele patienten hebben een al te taai leven.
De tooneelspeler: Een blijspel, dat uitgefloten, een treurspel, dat toegejuicht wordt.
De dichter: Een gedicht met een slecht rythme.
De student: Een fuif, die door katzenjammer alleronaangenaamst verstoord wordt.
De oude vrijster: Verborgen liefde, die nooit beantwoord wordt.
De grijsaard: De eeuwigdurende begrafenis van illusiën.

Het dunkt me een onvermijdelijke gevolgtrekking: het woord fuif is ontstaan in Nederlands-Indië omstreeks 1860 onder de Europese burgerij, en is pas een twintigtal jaren later in Nederland in gebruik gekomen en hier, niet lang daarna, verbonden geraakt met de studentenwereld. Niet exclusief evenwel; het bleef in gebruik als benaming voor een feest dat ook voor niet-studenten toegankelijk was. Uiteindelijk zelfs heeft het in deze ruimere, niet-academische kring een blijvend bestaan verworven. 

Wat nu het werkwoord fuiven betreft: het komt in de Indische kranten pas het eerst voor in het Soerabaijasch handelsblad van 8 maart 1886. Daaruit mag je afleiden dat niet, zoals De Coster (1992) meende, fuif naar fuiven, maar integendeel fuiven naar fuif is gevormd.

In de Nederlandse dagbladen was fuiven een paar jaar eerder te lezen. Over een studentenoptocht in Delft meldt de Delftsche courant van 15 mei 1881 onder meer: 

De verklaringen (nr. 1)

Toch is hiermee niet meer dan de helft van het verhaal over de herkomst van fuif verteld. Een echte verklaring is nog niet aan de orde gekomen. In dat verband doen zich een tweetal mogelijkheden voor; deze zullen hieronder besproken worden. Uitgangspunt daarbij is, dat het woord fuif niet zomaar, uit het niets, is ontstaan. Afgezien van klanknabootsingen (bijvoorbeeld oeps) hebben neologismen immers maar hoogstzelden niet een wortel in een bestaande term of woordstam.

Een Nederlands woord, waarop fuif geënt zou kunnen zijn, is er niet; een bestaande term voor zo een enting moet elders gezocht worden. Al heel gauw blijken de ‘naburige’ talen (Maleis, Javaans, Portugees, Madoerees) geen enkel aanknopingspunt te bieden. Als er echter – ook onder de Europese bevolking in Nederlands-Indië – woorden of zinnen uit een andere taal gebezigd werden, kwamen die niet zelden uit het Frans. Op het gebied van het uitgaansleven bijvoorbeeld. De beau monde – en rekenden de Europese Semarangers zich stiekem niet daaronder? – kon zich vermaken op een soirée littéraire, of ~ musicale, of ~ dansante, of ~ intime, of ~ mondaine. Was er ook een woord voor een bijzonder feest, een wilde, woeste avond bijvoorbeeld? Kende men ook een soirée fauve? Ja.

In de Trésor de la langue française lees je s.v. Fauve onder meer: fauve tend à (…) devenir in simple intensif, un terme fort permettant d’exprimer avec pittoresque la sauvagerie, l’empétuosité, la rudesse etc.  Deze nette Trésor de la langue française noemt niet het bestaan van een soirée fauve, maar de term bestaat wel degelijk: une soirée fauve: een ruig feest. Meer nog, tegenwoordig kan une soirée (of une fête) fauve kortweg ‘seksfeest’ betekenen. 

Het woordje fuif zou dus afkomstig kunnen zijn van fauve, mits evenwel de klankovergang van /oo/ naar /ui/ aanvaardbaar gemaakt kan worden. Dat kan, maar wel erg moeizaam. Analoog aan de Hollandse tongval in bijvoorbeeld /loooepe/ (lopen), /doit/ (duit), /toin/ (tuin), /sloiten/ (sluiten), /doister/ (duister) en analoog aan de ui2 in bijvoorbeeld wambuis of muiten zou de klankontwikkeling kunnen zijn geweest: fauve > foooef  > foif  > fuif. [Cf. Van Loey, Schönfelds Historische Grammatica van het Nederlands, §§ 62 en 75. De voorbeelden zijn ontleend aan Hildebrand, Camera Obscura en aan Jacob van Lennep, Ferdinand Huyck.]   

Mag nu verondersteld worden dat de (in niet-Franse mond gevormde) tweeklank /oooe/ of /oi/ in fauve zich ooit – maar wanneer precies blijft onzeker: ergens in de eerste helft van de 19e eeuw? –  naar dat proces heeft gevoegd, een ui2 heeft aangenomen? En dat de Europese Semarangers, analoog aan andere woorden waarin de /ui/ als /oi/ hebben uitgesproken, een ruig feest – une fauve – voortaan betitelden als fuif ?

Nee. Het lijkt er niet op. In genen dele. Want niet alleen zijn die klankovergangen foooef  > foif  > fuif op deze manier zelfs niet bij benadering te dateren, ook was van een ruig feest in Semarang anno 1862 geen sprake, evenmin als bij de sedekah maleman van de Pattih van Tagal anno 1867. Dat waren nette feesten, geen orgieën.

De verklaringen (nr. 2)

Een andere mogelijke verklaring biedt wederom Delpher. Ze wordt hier echter onder groot voorbehoud gegeven vanwege haar zeer onconventioneel karakter en omdat taalkundige gegevens er nauwelijks aan te pas komen.

In de Indische kranten vanaf 1856 maakt men reclame voor een nieuw soort kostbare drank: dure champagne van het merk Cliquot. Heel dure champagne: de wijnhuizen vroegen ƒ 40,00 per dozijn, dus ƒ 3,33 per fles. In huidige geldwaarde is dat € 35,17 per fles. Groothandelsprijs. Zelfs in de jaren dat het voor andere dranken minder goed ging, wist dit bijzondere Franse merk zich goed te handhaven. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 16 oktober 1858 lezen we over de export naar Indië: 

Champagne met grooten voorraad moeijelijk te plaatsen. Het merk Veuve Cliquot is thans het meeste gevraagd en eigenlijk het eenigste te plaatsen voor ƒ 40. 

De advertenties voor deze champagne werden geplaatst in De Oostpost, De Java-bode en het Samarangsch advertentie-blad; vanaf 1859 ook in het Bataviaasch handelsblad. Die wervende berichten verschenen in toenemende mate, zodanig dat de annoncering uitgroeide tot een ware advertentiecampagne die over Java werd uitgestort. 

Eind september 1856 adverteerde De Oostpost tweemaal voor het merk Cliquot

Een jaar later, in de maand september 1857, plaatste De Java-bode zesmaal een annonce voor het merk Vve Cliquot. 

In 1858 waren het dertien, in 1859 zestien, in 1860 drieëndertig, in 1861 zelfs zevenenveertig. 

Spraken de advertenties aanvankelijk nog afwisselend over Cliquot en Vve Cliquot, het wordt daarna voluit Veuve Cliquot. En zo werd er dan overwegend mee geadverteerd: Veuve Cliquot

Ook in het Samarangsch advertentie-blad. Nog slechts drie keer in 1858, maar in 1859 al zeven keer, 10 keer in 1860 en eveneens 10 keer in 1861.


Advertentie in het Samarangsch advertentie-blad van 30 juli 1858

Voor de havenstad Semarang, waar het Samarangsch advertentie-blad verscheen, lijkt een belangrijke rol te zijn weggelegd bij de geboorte van het hier besproken neologisme; Semarang, waar zoals gezegd in september 1862, om de komst van de spoorweg te vieren, een feest gegeven werd, nu voor het eerst ‘fuif’ genoemd. Hoe kon die nieuwe betiteling ontstaan? 

Dit kan de gang van zaken zijn geweest. Iemand zal daar niet lang daarvóór – in de sociëteit bijvoorbeeld – schertsend en met Hollandse tongval [fɶf] het attribuut veuve hebben gebruikt als benaming voor het feest in september 1862 waarop deze toen bekende en zeer geliefde champagne aangeboden zou worden. Hij deed dat (wellicht onbewust) overeenkomstig de omstandigheid, dat een attributief bij een zelfstandigheid in bepaalde gevallen de rol daarvan overneemt en een eigen zelfstandigheid gaat vormen. Zo bijvoorbeeld (om in de sfeer van dit onderwerp te blijven): ‘Op die receptie werden verschillende dranken geschonken: je kon kiezen uit een jonge of een ouwe, een pilsje of een rosétje, een vieuxtje of een bittertje.’

De betekenisverschuiving van drank naar feest is wellicht zo gegaan: ‘Er wordt daar veuve geschonken’ → ‘Er wordt daar veuve gegeven’ → ‘Er wordt daar een veuve gegeven’ → ‘Er wordt daar een fuif gegeven’. Het grote voordeel van deze verklaring is: moeizame klankovergangen zijn daarbij niet nodig; een Hollandse uitspraak [fɶf] van het Franse veuve volstaat.

Toegegeven, deze tweede verklaring in haar geheel is weinig meer dan speculatie; dat valt niet te ontkennen. En toch, af en toe zich buiten de gebaande paden bewegen kan soms enig perspectief bieden om te komen tot de mogelijke oplossing van een vraagstuk dat tot dan toe een compleet raadsel leek te zijn.

De slotsom

Kortom: fuif is niét in Nederland onder studentenkringen ontstaan, maar wél eind jaren ’50 of begin jaren ‘60 van de 19e eeuw onder de Europese bevolking van Nederlands-Indië. Eenmaal in Nederland geïntroduceerd, is het – samen met de afleiding fuiven – in zwang gekomen onder hogeschoolstudenten. Het woord vindt heel misschien zijn oorsprong in het (met Hollandse tongval uitgesproken) Franse veuve als korte benaming voor de toen sterk gepropageerde en zeer populair geworden champagne Veuve Cliquot. Vervolgens zou de betekenis verschoven zijn van ‘champagnemerk’ naar ‘champagnedrank’; vandaar naar ‘champagnefeest’, en nog later naar ‘feest’ tout court.