Etymologische discussies, 19e-eeuwse roddels en een geheime baard

Achter de schermen bij het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Johannes Franck (op latere leeftijd) en Pieter Jacob Cosijn (met baard)

Historische taalwetenschap en etymologie klinkt als een vrij braaf vakgebied, maar ook in deze discipline kan het een slagveld zijn. Etymologen hebben regelmatig tegengestelde meningen en dit levert vaak onenigheid op. Zo ook in de late negentiende eeuw toen het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands in de steigers stond. 

Ruim een eeuw geleden zag dit woordenboek, met de volledige titel Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (1884-1892), het daglicht. Het was geschreven door een Duitse taalwetenschapper genaamd Johannes Franck die eerder verantwoordelijk was voor een grammica van het Middelnederlands (Mittelniederländische Grammatik 1883). Francks woordenboek was het eerste Nederlandse etymologische overzichtswerk dat op wetenschappelijke methoden gebaseerd was, maar werd door de tijdgenoten met veel kritiek en de nodige controverse ontvangen. Een jarenlange briefwisseling tussen Franck en een bevriende Nederlandse collega, Pieter Jacob Cosijn, geeft een uniek kijkje achter de schermen bij de totstandkoming van het woordenboek en het etymologische wapengekletter tussen de twee geleerden.

Johannes Franck (1854-1914) was een Duitse filoloog die vooral onderzoek deed naar de Middelnederlandse taal- en letterkunde. Franck had tijdens zijn studie een aantal semesters in Leiden doorgebracht, maar ondanks zijn interesse in het Middelnederlands nooit Nederlands leren spreken. Wel maakte hij in Leiden kennis met verscheidene Nederlandse collega’s van naam, waaronder Matthias de Vries, grondlegger van het WNT (Woordenboek der Nederlandsche Taal) en de spellingshervorming van 1864, en Pieter Jacob Cosijn, hoogleraar Oudgermaans en Angelsaksisch aan de Leidse universiteit. Met Cosijn sloot Franck vriendschap en de twee correspondeerden geregeld met elkaar.

Deze vriendschap bleek nuttig toen de uitgever Martinus Nijhoff het plan opvatte om de publicatie van een etymologisch woordenboek van het Nederlands te verzorgen, kort nadat in Duitsland Friedrich Kluges Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache was uitgekomen. Franck was als Duitser die nauwelijks Nederlands sprak niet een voor de hand liggende keuze om dit werk ter hand te nemen. Toch werd hij op voorspraak van Cosijn aangesteld als auteur van dit monumentale werk, vooral omdat Franck in deze periode moeite had met het vinden van een vaste aanstelling en hij het salaris goed kon gebruiken. Gedurende het werk aan het woordenboek, stond Cosijn zijn Duitse collega bij als etymologisch klankbord en vertaler. 

Brieven vol etymologische discussies

De correspondentie tussen Franck en Cosijn beslaat 72 brieven die nu bewaard worden bij de afdeling Bijzondere Collecties van de Leidse Universiteitsbibliotheek. De eerste briefwisseling dateert van 1879, waarna de correspondentie doorloopt tot het einde van de eeuw. In deze brieven bespreken ze zowel wetenschappelijke kwesties – zoals klankontwikkelingen en later ook etymologieën – als alledaagse gebeurtenissen. 

Voor twee vakgenoten die veel interesses en expertise deelden, waren Franck en Cosijn het opvallend vaak oneens. Verscheidene lemmata worden in de correspondentie tot in den treure bediscussieerd met beide geleerden in tegenovergestelde posities van het debat. Zoals Franck opmerkte: “Es ist wirklich merkwürdig, wie wenig wir in etymologischen dingen übereinstimmen” [Het is werkelijk merkwaardig, hoe weinig wij het qua etymologische zaken met elkaar eens zijn]. Als voorbeeld mag de lemmabespreking van het woord vreugde dienen, een etymologische kwestie waar beide geleerden vele pagina’s over vol schreven enmeerdere brieven aan wijdden. Uiteindelijk konden de heren het niet met elkaar eens worden en bleek het woord een bron van frustratie. 

Briefkaart van Cosijn aan Franck

Roddel en achterklap

Tussen alle etymologische discussies door bespraken Cosijn en Franck in hun correspondentie ook de laatste ontwikkelingen van hun vakgebied en wisselden ze smakelijke academische roddels uit. Zo was Franck niet erg onder de indruk van de methodologie van zijn collega Bartsch, waarover hij schreef: “Um die wahrheit ist es glaube ich dem manne nicht besonders zu tun” [Om de waarheid is het de man geloof ik niet zozeer te doen]. Ook uitte Franck zijn ongenoegen over het werk van Willem Lodewijk van Helten, hoogleraar Nederlands te Groningen, dat hij poëtisch bestempelde als een “eilfertige unverarbeitete ziellose schnitzel” [overhaaste onverwerkte doelloze schnitzel]. Cosijn antwoordde hem met de geruststellende boodschap “Maar Ge zult hem binnen kort kunnen antwoorden en den jeugdigen nar voor de bloote billen geven. Hij verdient dat.” 

Ook Cosijn nam in zijn schrijfsels geen blad voor de mond: de leden van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde noemde hij “rakkers van ijdeltuiten” en het bestuur van de Maatschappij deed hij af als “verknöcherte conservatieven”. Tevens kwamen de minder academische kanten van het leven ter sprake; er werd gepraat over het weer en de opening van een nieuw Leids gemeentezwembad. Zelfs rebelse ontboezemingen kunnen in de correspondentie gevonden worden: “Ik zou haast als een verbazend nieuwtje U mededelen, dat ik een baard laat staan, buiten weten van mijn vrouw, die, als ze ‘t merkte, zeer boos zou zijn,” aldus Cosijn. 

De receptie van het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal

Ondanks de warme vriendschap tussen de twee geleerden, was Cosijn niet tevreden met het eindresultaat van Francks etymologische werk. Hij vond de lemmabesprekingen teveel lijken op die in het Etymologisches Wörterbuch der deutschen Sprache van Friedrich Kluge. Dit stoorde Cosijn dusdanig dat hij Franck dringend verzocht om zijn naam van de omslag te halen. Toen het woordenboek uiteindelijk gepubliceerd werd – eerst in episodes tussen 1884 en 1890, daarna in zijn geheel in 1892 – werd het lauwwarm ontvangen door de vakgenoten; de overeenkomst met Kluge’s woordenboek was het grootste kritiekpunt. Ondanks dat Francks woordenboek in 1912 een tweede herziene druk ontving, bleek de behoefte van het vakgebied aan een goed etymologisch overzichtswerk nog steeds niet bevredigd. Dat veranderde pas later in de twintigste eeuw toen het Nederlands Etymologisch Woordenboek van Jan de Vries (1963-1971) uitkwam. Het woordenboek van de Vries geldt nog steeds als standaardwerk en wordt slechts zelden overschaduwd door het meest recente Etymologische Woordenboek van het Nederlands dat in 2009 onder hoofdredactie van Marlies Philippa werd voltooid.

Hoewel Francks woordenboek uit 1892 vandaag de dag wetenschappelijk achterhaald is, was de voltooiing van het werk een belangrijke stap voor de Nederlandse taalwetenschap. De etymologische discussies tussen Franck en Cosijn bieden een belangrijke inkijk in de totstandkoming van dit grondleggende lexicografische werk. Ook verschaft de correspondentie een unieke kijk achter de schermen van de laat-negentiende-eeuwse neerlandistiek. De inhoud van de brieven zal nader onder de loep genomen worden in twee toekomstige artikelen waarin de lemmabesprekingen van het woord ‘gewoon’ en het woord ‘vreugde’ centraal staan. De etymologie van het eerste woord bleek bijzonder complex en de etymologie van het tweede zorgde vooral voor ergernis. 

Dit artikel is het eerste deel van een drieluik over het Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal en de correspondentie tussen Johannes Franck en Pieter Jacob Cosijn. Dit drieluik kwam tot stand tijdens het Research Traineeship project ‘Scholarly collaboration before the digital age: Pieter Jacob Cosijn, Johannes Franck and the first etymological dictionary of the Dutch language’ onder begeleiding van dr. Peter-Alexander Kerkhof en dr. Thijs Porck (Faculteit Geesteswetenschappen, Universiteit Leiden). Dit tekst van dit artikel is eveneens geredigeerd door de begeleiders.