Een toneelstuk over taaladvies?

Door Marten van der Meulen

Screenshot 2019-10-01 10.39.23Uitspraken over goede en foute taal vinden hun weg naar allerlei cultuurproducten. Een mooi voorbeeld is een scene uit de Amerikaanse versie van The Office, waarin uitgebreid wordt gediscussieerd over de bekende kwestie who/whom. Op mijn zusterblog Milfje zijn blogs over liedjes te vinden die metalinguistische uitspraken (uitspraken over taal) bevatten, zoals het reactionaire Word Crimes van Weird Al Yankovic. Peter-Arno Coppen wees me onlangs op een geval in Een tafel vol vlinders van Tim Krabbé. Overbekend in de literatuur is natuurlijk Pygmalion van Bernard Shaw (en alle verfilmingen en vermusicaliseringen zoals My Fair Lady), waarin ‘de juiste uitspraak’ een centraal element in het verhaal is. Maar wat volgens mij niet algemeen bekend is, is dat er ook een Nederlands toneelstuk is dat niet alleen over taaladvies gaat, maar zelfs over een (fictief) taaladviesgenootschap: De Spreektaalveredelingsbond van R.A. Kollewijn.

Spreken en schrijven

De taalkundige Kollewijn (1857-1942) is natuurlijk vooral bekend geworden om zijn voorstellen voor een vereenvoudiging van de spelling (zie dit artikel in NRC voor een toegankelijke inleiding). Daarnaast echter, zo leerde ik onlangs, schreef hij ook romans en toneelstukken onder het pseudoniem C. P. Brandt van Doorne. Misschien is dit onder letterkundigen alom bekend, maar voor mij, taalkundige zijnde en anglist bovendien, was dit verrassend. De meeste werken schijnen over andere themata te gaan, maar De Spreektaalveredelingsbond lijkt het dichtst te staan bij zijn werk als taalkundige, en was bovendien het populairst. Er is zelfs een hoorspel van gemaakt!.

De ‘klucht in één bedrijf’ (die hier te vinden is) draait om het voorgenomen huwelijk van Everarda Strikt, die met de progressieve journalist Vogel wil trouwen. Haar vader, gepensioneerd majoor Strikt, ziet echter liever dat ze trouwt met de behoudende predikant Van Eibergen, met wie hij in de Bond van de titel zit. Al in het eerste toneel wordt het centrale punt van het stuk gemaakt door mevrouw Strikt (niet geheel toevallig ook de positie die Kollewijn zelf innam):

Ik blijf spreken zoals ik spreek, Het mag onverstandig zijn en verkeerd, maar daar ga ik niet af. Ik doe alles wat Strikt verlangt. Alles. Dat weet je wel. En dat heb ik altijd gedaan ook. Ik heb me nooit verzet. Maar om…. om zó te praten, dat kan ik niet, en dat doe ik niet. Al zegt je pa honderd keer dat het zo hoort!

Hoe de Spreektaalveredelingsbond tegen de zaak aankijkt, verduidelijkt Majoor Strikt even later:

Dit vraag ik: Heeft de taal reglementen of niet? — Antwoord: Zij hééft reglementen! — Goed. — (Zich opwindend) Maar dan dienen ze gehandhaafd’ Anders trekt alle tucht naar den duivel! — (Kalmer) Derhalve.

Over het verhaal kunnen we kort zijn: all’s well that ends well. Toch raad ik iedereen aan het stuk te lezen, want de vergaderscène is schitterend (en doet sterk denken aan de vergadering van Taalprofs Frits Barend Genootschap), de spreekwoordenverhaspelende Worrega (‘spreken is zwijgen, zilver is goud’) is een lust voor hoge bomen, en de bekering van de majoor is een tranentrekker van de bovenste plank.

Welke fouten

Nu is het natuurlijk sowieso leuk om een satirisch stuk te lezen waarin taalpedanten op de hak worden genomen. Er zit echter ook een andere interessante dimensie aan. Door te zien welke taalfouten worden benoemd, kun je uitspraken doen over hun salience. In Amerikaanse tv-series bijvoorbeeld komt verhoudingsgewijs vaak het al genoemde who/whom voor: dat is een iconische fout geworden. Ook het meer recent veroordeelde literally moet het relatief vaak ontgelden. Zo zie je dat sommige taalfouten een culturele aanwezigheid krijgen.

In De Spreektaalveredelingsbond wordt het de lezer makkelijk gemaakt: fouten worden schuingedrukt, de verbeteringen die daarop volgen juist dik (hoewel dit ironisch genoeg niet consequent gebeurt). Dat levert de volgende gevallen op:

Samentrekking Hij schrijft dat-ie straks… (Ie is geen woord) Hij dan.

Woordgeslacht – Is deze bijeenkomst openbaar? Nee, hij is niet openbaar (Zij)

Aanspreekvorm 2e persoon (2x) – Als je niet in m’n huis was – (Gij niet in mijn huis waart)

Werkwoordsvervoeging bij aanspreekvorm (3x)Waarom bent u ook (Halt. — U bent is wantaal. Bent is geen vorm. Bent is niets. De spraakkunst schrijft voor: gij zijt.) / we wouen juist (Gij wildet)

Als/dan – Ik begin meer als genoeg te krijgen van die duffe kwasterij (Meer dan)

Vooral het geval als/dan is interessant: dit is tegenwoordig hét sjibbolet (mijn taalgevoel zegt ‘de sjibbolet’ maar dat terzijde) voor goed taalgebruik. Het advies over deze kwestie wordt namelijk strenger, zoals ik eerder schreef. Ook woordgeslacht blijft een heet hangijzer, hoewel nu juist mensen vooral tegen het ‘overmatig’ gebruik van vrouwelijke verwijswoorden zijn.

Er is echter één fout die vaker voorkomt dan alle andere samen: de naamvals -n op lidwoorden en bezittelijke voornaamwoorden. Dat juist deze kwestie zo vaak voorkomt is interessant maar ook logisch, als je iets weet over Kollewijn: dit was voor hem het schoolvoorbeeld van een regel die in de schrijftaal nog enigszins standhield maar in de spreektaal al lang verdwenen was. Kollewijn overdrijft natuurlijk, maar het levert aardig materiaal op. De klassiek onzekere Nies wil graag mee maar weet niet goed hoe het moet:

Dien prefesser zeg ik…. is dat den schrijver van al dien stukken…. dien…. elken week…. in den kranten….

Niets nieuws

Het is dus de moeite waard om dit soort metalinguïstische uitspraken te bestuderen. Al was het maar omdat het laat zien dat er niets nieuws onder de zon is. Zo gebruikt majoor Strikt een beduimeld boekje als (wanneer?) hij twijfelt. Dat hij niet zuiver in de leer is blijkt ook wanneer hij zichzelf verbetert:

Wij zullen de jonge man…. e…. den jongen man wil ik zeggen …. ontvangen. Wat komt hij doen?

Tekenend is ook deze twijfel:

Het eerst nodige is derhalve ’n man…. enen man …. Neen toch: een man. ’t Was goed.

Als blijkt dat je het mishebt, kun je altijd nog zeggen dat de regel fout is. Toegeven dat je het mishebt is nog steeds een van de moeilijkste dingen voor taalpedanten (en politici). Dit beschrijft Kollewijn ook heel treffend:

VAN EIBERGEN.
Ik wense uit te spreken. Vermits ik het ene heilige plicht achte….
WORREGA (gedienstig).
Enen heiligen, domienee! met uw verlof.
VAN EIBERGEN (uit de hoogte).
Ik herzegge: ene heilige plicht…. Plicht is vrouwelik, meester.
WORREGA.
Neen domienee, ik geloof zeker…. (Hij zoekt in zijn woordelijst).
(…)
WORREGA (in de rede vallend).
Ja! Juist! Ziet u….? „Plicht, mannelik, plichten“. (MM: tegenwoordig opgevat als m/v)
VAN EIBERGEN (neerbuigend vriendelik)
Mag ik ?
WORREGA (reikt hem het boek toe).
(…)
VAN EIBERGEN (met ’n medelijdend lachje).
Waarlik. Het staat er. Hm. (Het boek teruggevend). Ene drukfout, meester.

Dit soort gedrag zien we nog steeds bij taalpedanten en regelvolgers. Reden te meer om deze klucht weer onder de aandacht te brengen. Ik wil een uitvoering ervan wel op poten zetten. gezien mijn leeftijd zal ik Van Eibergen spelen. Wie ook een rolletje wil kan zijn/haar voorkeur voor een rol kenbaar maken. Auditiefilmpjes worden op prijs gesteld.

Dit stuk verscheen eerder op het eigen weblog van Marten van der Meulen.