De officieuze spellingshervorming

Door Lauren Fonteyn

Een van de simpelste dingen die je kan doen om een taalkundige een diepe zucht vol Weltschmerz te doen slaken, is iets zeggen over spelling of punctuatie en doen alsof dat over taalkunde gaat. Ik kan dat bevestigen. Als ik pakweg op date zou zijn, ofzo – en ik ben er helemaal klaar voor, onderbroek met klein strikje aan enzovoorts – en het zou over Engelse taalkunde gaan (want #mijnpassie), en mijn gezel zou zeggen “de Engelse taal is al 400 jaar niet veranderd” – ja dan zou er gewoon iets bréken in mij. Sterker nog: als iemand vijf keer “de Engelse taal is al 400 jaar niet veranderd” in de spiegel zegt, dan verschijnt mijn patroonheilige Professor Helen de Hoop om te zuchten: “Spelling. Spelling. Spel-ling. Dat heeft helemaal niets met taal te maken.” En toch zit ik hier weer, voor de tweede keer, met een verhaal over spelling en punctuatie.

Ik zou niet willen beweren dat de regels van de Nederlandse schrijftaal totaal nergens op slaan, maar er zijn wel een paar voorbeelden waarvan ik me afvraag of ze wel zo handig zijn. U herinnert zich misschien nog het bescheiden relletje dat uitbrak na de spellingshervorming in 2005, toen bleek dat appel en appel plots hetzelfde geschreven moesten worden. Als u ook even terug moest gaan om de eerste keer appel en de tweede keer appel te lezen (en dus niet twee keer appel) dan is het ook meteen duidelijk hoe handig dat is.

Zelf vind ik het leven net dat kleine beetje plezieriger sinds het zo is dat je een spoedappel kan aanvragen bij de rechtbank, en dat er dan een appelrechter daar een beslissing over moet maken (Een spoedappel! Bij de appelrechter! DE APPELRECHTER!). Maar u kan zich best voorstellen dat de overwerkte appelrechters daar nu niet bepaald op zaten te wachten. En verder ook niemand anders, trouwens. Het Genootschap Onze Taal deed dan ook meteen een appel op de officiële spellingsbazen om het accent grave terug te brengen, maar zonder succes. In 2015 bleef het appel en appel. Veel plezier daarmee.

Maar hoe leuk het ook is om te googelen op het woord spoedappel en dan in een deuk te liggen met alle zoekresultaten, de spelrelschoppers hadden wel gelijk: er is soms wel een kloof tussen de officiële spellingsregels en ons taalgevoel- en gebruik. Er zijn enerzijds conventionele en voorgeschreven leestekens waar de Nederlandse taalgebruiker eigenlijk echt niks (meer) mee kan – ik kijk naar jou, puntkomma – en anderzijds is er een heeeele waslijst van dingen die we (zouden willen kunnen) doen, waarvoor er bij de Officiële SpellingTM geen voorgeschreven regels zijn.

De regels

Volgens de Woordenlijst Nederlandse Taal horen we ruwweg voor de volgende dingen een hoofdletter te gebruiken:
eigennamen:                          Wim Smidt, Blokker
personen:                               Femke, Shakespearedrama
aardrijkskundige namen:   Amsterdam, Leidseplein
talen, dialecten, culturen:  het Nederlands
volkeren:                                 de West-Vlamingen
feestdagen:                            Pasen
instellingen:                           het Hof van Cassatie
merken:                                  Dafalgan
hoofdletter uit respect:        Majesteit
heilige namen:                       God
eerste woord van een zin:    Wanneer ga je op reis?

Daarnaast zijn er ook nog een aantal regels over welke woorden niet hoofdletterwaardig zijn, zoals bijvoorbeeld bordeaux (als u de wijn bedoelt en niet de stad), freudiaans (want zo gaat dat met bijvoeglijke naamwoorden), en paasvakantie (want dat is een samenstelling – maar niet hetzelfde soort samenstelling als Shakespearedrama – natuurlijk).

Bedoelde u misschien André Hazes?

Nu dat weer even opgefrist is, en u zich weer helemaal aan de regels kan houden, kunt u zich proberen in te beelden dat u het volgende sms’je krijgt:

zullen we afspreken bij het standbeeld van andré hazes?

U ziet het meteen: het loopt daar duidelijk mis. Die andré hazes – dat weet eenieder die van zijn songs geniet – is de eigennaam van een Amsterdamse volkszanger, die daarenboven ook een persoon en lokale heilige is. Dat zijn dus, zegt de Woordenlijst Nederlandse Taal, maar liefst drie in regels vastgelegde redenen om André Hazes te schrijven. Daarnaast was het u ook vast opgevallen dat het eerste woord van de vraagzin ook geen hoofdletter gekregen heeft (wat overigens ook van weinig respect voor het werkwoord zullen betuigt). Het is, kortom, best te begrijpen dat u het ontbreken van de hoofdletters Z, A en H vet stom vindt omdat het tegen de regels is. Maar u kan moeilijk echt beweren dat u pas mét hoofdletters begrijpt waarover de afzender van dat sms’je het in godsnaam heeft.

Dat wil natuurlijk niet zeggen dat hoofdletters niet van crúciaal belang kunnen zijn – ik kijk naar u, inwoners van Poepershoek – maar in de praktijk is het niet vaak het geval dat het negeren van hoofdletterregels echt problemen oplevert. Met andere woorden: ze lijken niet echt van functioneel belang ofzo.

Het gebruik

Ook niet van functioneel belang zijn die hele kleine strikjes op onderbroeken. Knip dat strikje eraf en je onderbroek valt niet uit elkaar. Of naai er tweeënveertig van die strikjes bij als dat je ding is. Doet echt helemaal niks.

De hoofdletterregels van hierboven doen het niet zo goed op de strikjestest. Het is zelfs zo, als we de Amerikaanse drukker Theodore De Vinne (1901) mogen geloven, dat ze het eigenlijk al meer dan 100 jaar niet goed op de strikjestest:

A hundred years ago it was the duty of the printer to begin every noun with a capital letter… It was hoped that capitals … would help the reader to a better comprehension of the subject … Experience has proved that readers do not need these crutches, and that ordinary matter can be made readable and intelligible without them.

Dat vond Bauhaus-typograaf Herbert Bayer ook. Waarom twee verschillende alfabetten hebben als eentje hetzelfde bereikt? waarom hoofdletters aan het begin van een zin? Waarom niet gewoon andré hazes? Doet toch echt helemaal niks?

Maar hoofdletters in het algemeen – en daarmee bedoel ik: hoe hoofdletters ‘in het wild’ gebruikt worden – doen eigenlijk wel wat. Ik kan namelijk niet HELEMAAL LOs gAAN met HOoFDLETters zonder de toon van mijn uitspraak daarmee te veranderen. En als ik helemaal geen hoofdletters gebruik, kunnen mijn lezers ook niet weten dat ik deze zin heel luid in hun gezicht aan het schreeuwen ben.

Je hoeft niet te roepen, we zijn niet blind.

Het eenvoudigste en meest voorkomende voorbeeld van die ‘hoofdletterconventies in het wild’, is dat een woord, frase of zin in hoofdletters LUID is. Dus als u net dat tikje harder wil spreken om KLEMtoon op een woord te leggen, dan kan dat. U moet dat wel, net zoals met biertjes, een beetje met mate doen: zodra u meer dan een woord in hoofdletters zet, GAAT HET AL SNEL ERUIT ZIEN ALSOF JE STAAT TE BRULLEN.

Nu is het zo dat van alle gekke, niet-in-officiële-regels-vastgelegde dingen de we tegenwoordig in schrijftaal doen, deze ‘hoofdletters zijn luid’ waarschijnlijk degene is waar mensen het minst van opkijken. En dat is dan precies weer wel iets om van op te kijken, want, net zoals bij die dingen die we tegenwoordig met leestekens zien gebeuren, waren hoofdletters destijds ook niet bedacht om verschillen in volume aan te geven. Dus waarom vinden we dit dan normaal? En waarom wordt de taalpolitie hier niet ontzettend boos van?

Ik kan daar twee verklaringen voor bedenken. De eerste is dat we al zo lang hoofdletters gebruiken om te schrijfschreeuwen dat de taalpolitie het niet door heeft dat het tegen de regels is (dat placht wel eens te gebeuren). In het jaar 1921 ging Antwerpse dichter Paul van Ostaijen in Bezette Stad al prat met allerlei lettertypes en -groottes om verschillen in volume op papier te zetten, en er zijn zelfs Engelstalige voorbeelden van hoofdletterschreeuwen die teruggaan tot het einde van de 19de eeuw.

De tweede verklaring is dat we allemaal – u, ik, Paul van Ostaijen, de mensen – diep vanbinnen een klein beetje synestheet zijn, en daardoor een zeker ‘buikgevoel’ hebben over hoe bepaalde klanken passen bij andere zintuiglijke dingen. Omdat de relatie tussen vorm en betekenis in taal vaak arbitrair is (er is niets aan een boom dat verklaart waarom het in het Nederlands ‘boom’ heet), hebben we het een beetje afgeleerd om in zulke termen over taal te denken. Toch zijn er verschillende onderzoeken die aangeven dat taal toch niet helemaal willekeurig is: wist u bijvoorbeeld dat heel veel talen een trillende R-klank hebben in woorden voor dingen die ruw aanvoelen (inderdaad, RRrrruw)? Of dat voor veel mensen kiki klinkt alsof het over iets scherps gaat, en bouba over iets ronds (zonder dat die dingen scherp of rond of überhaupt iets betekenen)? En zo vinden we blijkbaar ook dat een ‘groter volume’ er groter moet uitzien op papier. Dat heeft een naam in het vakjargon en die naam is ‘iconiciteit’, en spreekvolume is een ‘paralinguïstische’ eigenschap, zeg ik, terwijl ik mijn pijp erbij neem en mijn monocle opzet.

Ho0FdLeTtErSoEp

Maar hoofdletters zijn er in het wild niet alleen om volume op papier te zetten; ze worden blijkbaar ook gebruikt voor andere paralinguïstische eigenschappen. U bent, als u ooit op Twitter vertoeft, vast al eens DiT SoOrT DiNgEn TeGeNgEkOmEn.

De motivatie om DaT tE dOeN is helemaal niet zo’n buikgevoel ding: plaatsen zoals Reddit staan bijvoorbeeld vol met de vraag waarom je in godsnaam zo zou schrijven. Het antwoord daarop is heel vaak “WaAr0M s0u JuH In GoTtsNaAm s0 sChRijVuH??”, maar af en toe is iemand zo aardig om uit te leggen dat het een zin een spottende toon geeft. Sterker nog, zoals een student me vertelde: je moet zulke dingen lezen “met zo’n stemmetje”, waarop ze vervolgens als een soort fluimenrochelende kip verder praatte.

Iconisch is dat zeker niet, maar het is wel een soort van gemotiveerd. Een tijdje terug, toen we nog webpagina’s hadden met gele Times New Roman letters op een knalblauwe achtergrond, en we voor het eerst op grote schaal ons toetsenbord gingen verkennen om elkaar chatberichtjes te sturen op MSN messenger ofzo, zagen we wel vaker een kakafonie van hoofdletters. Alleen was dat toen niet ironisch. Ik noemde mezelf ook gewoon heel serieus LaUreNtJeuH, en zat echt uren na te denken hoe ik mijn emailadres net zo cool kon maken als dat van StOeR_MeiSjAh_69@hotmail.com. Toen we wat ouder werden, zijn we daar vol schaamte weer mee opgehouden, en al snel werd de Ho0FdLeTtErSoEp gedegradeerd van ‘ding op het internet’ naar ‘stom ding op het internet dat een bepaald soort mensen doen’.

Met die nieuwe connotatie begon het fenomeen weer op te duiken, maar dan al spottend. Dat was eerst meestal als een herhaling van een lullige opmerking van iemand anders in combinatie met een plaatje van tekenfiguur Spongebob die een kip nadoet (voor het bijpassende spottende stemmetje):

En al snel was het voor veel lezers niet meer nodig om dat plaatje te zien om dat stemmetje te horen, en begon de nieuwe toonmarkeerder ook op te duiken in andere contexten.

Spelling. Spelling. SPEL-LING.

Interessant toch? Dat we dat soort gekke middeltjes zijn gaan gebruiken om de paralinguïstische eigenschappen van spreektaal – volume, maar ook toon, en intonatie, en zelfs gestiek – te vatten?

Ondertussen zit mijn denkbeeldige date verveeld naar mij te staren omdat ik al 45 minuten ofzo over taalverandering zit te praten. Dus ik praat gewoon verder. Kijk, als iemand het me vraagt (en ook als niemand het vraagt, eigenlijk), dan zeg ik dat ik er wel in geloof dat ‘taalkennis’ eigenlijk geen bijzondere aparte status heeft in ons brein. Het is gewoon geconventionaliseerd gedrag dat leden van een gemeenschap in interactie met elkaar vormen, en de manier waarop die conventies doorheen de tijd veranderen is misschien wel heel erg te vergelijken met hoe andere culturele conventies veranderen.

“Maar wat bedoel je dan met andere conventies, Lauren?”
– “Ja euhm, kan vanalles zijn… hoe je moet dansen, of hoe je je moet kleden, of hoe je het best wortelstampot maakt, …”
“Oh, of hoe je moet spellen, en zinnen van punctuatie voorzien?”

Diepe zucht vol Weltschmerz.

“Ja, eigenlijk wel.”

Dit stuk komt voort uit een interview dat ik ooit gaf voor mashable.co.uk, waar ze het blijkbaar een goed idee vonden om een historisch taalkundige vragen te stellen over leestekens. Ik ben uiteindelijk toch losgegaan met het onderwerp, en ben daar wel blij om. Ik bedank Nicky Moor, Mike van Weert, en mijn andere studenten, voor alle andere inspiratie.