De natuur heeft zich met Eduard vergist, hy had ’n meisje moeten zyn

De Multatulileescursus (54)

Door Marc van Oostendorp

G. Stuiveling. Bron: Wikipedia.

– We hebben vandaag de brieven en documenten uit het najaar van 1874 gelezen. Het is fijn dat de DBNL de editie van Stuiveling online heeft gezet, maar hij doet toch vooral ook voelen hoe fijn het zou zijn als er een nieuwe digitale editie kwam.

– Want?

– Die Stuiveling liet zich wel voelen, zeg. Altijd maar, in iedere twist, partij kiezen voor de grote held. Iedereen die kritiek had op de grote Multatuli had het natuurlijk bij het verkeerde eind.

– Dat bedoel ik nog niet eens. Ik bedoel meer dat hij van alles en nog wat niet afdrukte. In deze tijd wordt Multatuli duidelijk een onderwerp van heftig publiek debat. Maar het meeste daarvan krijgen we niet te lezen. Eigenlijk zou de Zaaier, de brochure die Vosmaer ter verdediging van de schrijver er in moeten staan, maar zeker ook alle kritiek. Dat wilde Stuiveling niet:

Herhaaldelijk bestaat het nieuws in sommige kranten hierin, dat ze het van belang achten met het nieuws uit een andere krant het nieuws uit nog weer een ándere krant te weerleggen of te bevestigen. Al is het soms mogelijk de bron te ontdekken of althans de plek waar het niet zelden kwalijk riekende straaltje boven de modder kwam, vaker evenwel blijft de hele berichtgeving zó anoniem en gelijksoortig, dat ze zelfs geen poging doet de schijn van plagiaat te vermijden. Ik heb de verzoeking om dat alles integraal te herdrukken weerstaan in de overtuiging dat volledigheid ophoudt een grensbegrip te zijn zodra ze overgaat in absurditeit. Dat de een dit eerder vindt dan de ander, kan mij niet ontheffen van mijn verantwoordelijkheid ten deze, overeenkomstig mijn eigen oordeel. 

– Je hebt gelijk, in een digitale editie zou die hele ‘niet zelden kwalijk riekende straal’ wel degelijk gepubliceerd kunnen worden. Als is het maar met links naar de oudekrantensite Delpher.

– Al die artikelen die indertijd over het fenomeen Multatuli geschreven zijn, moeten inmiddels terug te vinden zijn. En al die artikelen horen net zo goed bij ons cursusmateriaal.

– Iets anders wat heel irritant is aan Stuiveling is dat hij onbekommerd zijn eigen psychologische diagnoses op allerlei personen loslaat. Je zou denken dat een editeur toch vooral neutraal moet zijn, maar hij schroomt niet om zonder psychologisch diploma over Douwes Dekkers zoon te schrijven:

Edu, twintig jaar oud en beheerst door wat Freud later een oedipuscomplex zou noemen

– Hadden jullie trouwens gezien dat het begrip ‘leescursus’ hier opnieuw optreedt in het werk van Multatuli, na de Max Havelaar? Hij wilde in deze periode zo’n curssu organiseren over het werk van Shakespeare:

Graag wou ik (met u en Holda) in gedachtenwisseling treden over Shakespeare. Zie, als we in één plaats woonden, zou ik u voorstellen samen ’n kursus te houden. De te maken opmerkingen zouden zeer veelkleurig zyn. Shakespeare staat blykens sommige brokstukken zeer hoog. Dit is geen nieuws, zeg je. Welnu, evenzeer: blykens ⅞ van z’n geschryf stond-i niet hoog.

– Precies al die dingen zou je ook over Multatuli zelf kunnen zeggen…

– … en dat doen wij dan toch ook in onze cursus?

– … zelf kunnen zeggen. Hij stond in ieder geval niet hoog genoeg om niet net te doen alsof hij niet kon berekenen hoe hoog of laag hij stond.

– Die opmerking over die leeskursus is ook licht schrijnend. ‘Zie, als we in één plaats woonden’. Maar dat doen ze niet. Had hij in die tijd eigenlijk wel vrienden? Had hij eigenlijk ooit vrienden behalve af en toe een tijdlang een correspondentievriend?

– Precies dat vraagt een jonge bewonderaar hem in een van de brieven, heb je dat gezien?

O ja, nog een vraag, die ge slechts onbeantwoord laat als hij (en ook anders natuurlijk als u tijd ontbreekt) u onbescheiden voorkomt, maar wier toestemmende beantwoording mij zeer zal verheugen. Hoe leeft ge daar te Wiesbaden? ik bedoel hoe is uwe omgeving? Hebt ge ware vrienden om u? Ik vraag dat, omdat het mij zoo’n ontzaggelijk genot is, mijn indrukken aan vrienden mondeling mee te deelen en de hunne op dezelfde wijze te ontvangen. Ik zou eraan twijfelen, dat gij altijd deelnemende en begrijpende personen om u heen hebt, dan toch kondt ge, dunkt mij niet nu en dan zoo treurig zijn. Een van uw bundels eindigt zelfs ongeveer: ‘mocht ik voor dien tijd sterven – – o gaarne – -’ O zoo iets stemt ons allen zoo treurig. Als ge liefhebbende wezens bij u had, kondt gij zoo niet spreken, hoop ik. Ik ten minste heb mijn verdriet (’t is waar niet te vergelijken met het uwe) nooit zóó diep gevoeld, als ik ’t met oprechte liefdevolle mij begrijpende vrienden kon deelen.

– Dat was heel juist gezien. Douwes Dekker was wel heel erg een einzelgänger.

– Zelf ontkende hij dat, in antwoord op die brief. Hij was niet alleen, hij had immers zijn vriendin!

Ik zal alleen antwoorden op Uw fideele vraag: of ik alleen ben. Neen! Jufvrouw Schepel is by me, een toonbeeld van liefde, opoffering en trouw. Van zeer deftige familie heeft ze, wetende wat ze deed, alles opgegeven om – met goedvinden myner vrouw die zich eens-vooral belastte met de kinderen, wat ná Lebak de afspraak was – om my aantehangen, te steunen, te verzorgen. (In ’t dagelyksche kan ik niet alleen zyn. Dan ben ik à la merci van den eersten den besten.) Nu dan, zy is by me, en doet het onmogelyke om myn gewond gemoed te verplegen. Want m’n doorgaande stemming is verdriet. Ze heeft zonder morren, zonder treurigheid zelfs, armoed en honger met me geleden; nu niet, maar toen ik geen uitgever had.

– Maar een vriendin, dat is toch wat anders dan vrienden.

– Dat ‘verdriet’, dat noemt hij vaker. Dat is toch een vreemde term voor een zo langdurige gemoedstoestand, een ‘doorgaande stemming’. Het is ook weinig mannelijk.

– Ja, daar zegt hij trouwens in een van zijn brieven zelf ook iets interessants over:

Ik herinner me dat m’n moeder altyd zei: de natuur heeft zich met Eduard vergist, hy had ’n meisje moeten zyn. (…)Als ik… baas was, zou er geen fout wezen waartegen ik me zóó zou moeten wapenen als te groote inschikkelykheid.

– Ik vermoed dat hij hier iets blootgaf dat zeer waar was. Hij had altijd wel een grote mond, maar hij hield eigenlijk helemaal niet van ruzie en gedoe. Hij was eigenlijk waarschijnlijk behoorlijk verlegen en verstopte zich dan achter grote woorden. Omdat hij ook niet alleen kon zijn, verstopte hij zich het liefst in Wiesbaden met een vrouw.

– Die hij dan weer prees om háár inschikkelijkheid.

– Genoeg psychologie van de kouwe grond! We lijken hier Garmt Stuiveling wel. Wat lezen we volgende week?

– Jij noemde daarnet de Zaaier van Vosmaer. Ik wilde die dan maar eens onder handen nemen.

– Uitstekend!

Op 2 maart 2020 wordt de 200e geboortedag van Multatuli gevierd. Help mee een digitaal monument voor hem op te richten.