De barnsteendief (1871)

Jeugdverhalen over joden (61)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Eduard Gerdes (1821-1898)
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

Eduard Gerdes, de auteur van De barnsteendief, behoort tot de productiefste en meest gelezen jeugdboekenschrijvers uit de tweede helft van de 19de eeuw. Hij publiceerde ruim 250 jeugdboeken. Daarnaast schreef hij verschillende liederen. Zijn beroemdste lied, ‘Daar ruischt langs de wolken’ (1858), is nog steeds populair en wordt wel de ‘Christelijke Internationale’ genoemd.

         Gerdes werkte geruime tijd als onderwijzer in Amsterdam. Daar bezocht hij de zogenoemde zondagavondbijeenkomsten van de bekeerde jood Isaac da Costa (1798-1860). Ook gaf hij Nederlandse les aan dominee Carl Schwartz (1817-1870), een Duitse bekeerde jood die halverwege de 19de eeuw in Amsterdam werkzaam was als jodenzendeling.

         De barnsteendief verscheen in 1871 bij uitgeverij A.W. Sijthoff in Leiden als zelfstandige druk en in Nieuwe Zondagsvertellingen, een bundel met vier verhalen, alle van Gerdes. In 1912 werden de rechten van De barnsteendief – samen met alle andere werken van Gerdes uit het fonds van Sijthoff – aangekocht door uitgeverij Callenbach in Nijkerk. In tegenstelling tot veel andere titels werd De barnsteendief echter niet opnieuw door Callenbach uitgegeven.

Samenvatting

Het verhaal speelt zich af in Pillkoppen in Duitsland (het huidige Morskoje in Rusland) en gaat over dagloners die voor de Duitse overheid werkzaam zijn in de zogenoemde barnsteenvisserij – zij zeven de kostbare barnsteen uit modder die baggerlieden aanleveren. Het is de dagloners ten strengste verboden om barnsteen te ontvreemden.

         Hannes, een van die dagloners, doet dit toch. Hij is hiertoe in de verleiding gebracht door ‘Mozes de jood’, de kwade genius in dit verhaal. Mozes is een ‘joodsche schaggeraar, die van dorp tot dorp trok en allerlei waren inkocht, waarbij hij niet vroeg of ze gestolen waren of niet’. Hannes, die een goed hart heeft, laat zich tot de diefstal verleiden omdat hij graag met een dochter van de schoolmeester wil trouwen; zonder te stelen zal hij de gevraagde bruidsschat nooit kunnen betalen.

         ‘Mozes de jood’ wordt door Gerdes als volgt beschreven. ‘Een kort dik mannetje, gehuld in een jas, zoo wijd en lang, dat er zeer goed nog een andere man van dezelfde grootte onder kon. Hij droeg een vuile pet op ’t hoofd, dat met dik kroes haar bezet was. Zijne oogen waren klein en grijs; zijn neus was lang en krom gebogen, en hing bijna over den mond, die veel breeder was dan van een gewoon mensch. Een dikke zwarte baard liep rondom de kin van het eene oor tot het andere (…). Als gij den man gezien hadt, zoudt gij gewis geen gunstigen indruk van hem gekregen, en zeker gezegd hebben dat hij een jood was, die het land doortrok om te sjaggelen. En hierin zoudt gij u niet vergist hebben.’

         De moeder van Hannes ‘mogt den jood niet lijden’: ‘Zij wist dat hij op allerlei slinksche wegen geld zocht te verdienen, en er volstrekt geen geweten van maakte om anderen te verleiden.’

         Mozes is een echte stiekemerd. ‘Hij keek nog vriendelijker dan daar straks, schoon hij er niets van meende en in zijn hart boos was.’ Als Mozes spreekt, gebruikt hij graag de uitroep nah! Die komt vijf maal in dit boekje voor.

         Door een list heeft Hannes iemand anders voor zijn diefstal laten opdraaien. Maar hij krijgt wroeging en meldt zich uiteindelijk bij de politie. De rechter veroordeelt hem tot een ‘langdurige tuchthuisstraf’. ‘Mozes kreeg ook zijn verdiende loon, en hoewel hij aauw en ach! schreeuwde, kon hem dit niets baten, want hij moest ook eenige jaren in het tuchthuis doorbrengen.’

Doelgroep en receptie

Uitgeverij A.W. Sijthoff meldde eind 1872 in een krantenadvertentie dat de bundel Nieuwe Zondagsvertellingen – waarin De barnsteendief is opgenomen – ‘bijzonder geschikt’ was ‘voor Prijsuitdeelingen op Zondagsscholen’.

         Van De barnsteendief heb ik geen besprekingen gevonden.