We kunnen prima zonder gouden eeuw

Door Ivo Nieuwenhuis

Jan Steen, Soo de Oude Songe, Soo pypen de Jonge (1663 – 1665). Bron: Wikipedia

Toen het Amsterdam Museum vorige week aankondigde om de term ‘gouden eeuw’ in de ban te doen, waren voor velen de rapen gaar. Niet alleen politici, maar ook diverse wetenschappers lieten van zich horen, inclusief neerlandici. Met name emeritus hoogleraar middeleeuwse letterkunde Herman Pleij reageerde fel. Met veel pathos sprak hij in De Volkskrant over “de vernietiging van immaterieel erfgoed” en maakte hij de vergelijking met “IS dat beelden in elkaar sloeg”. 

Minder over-the-top, maar niettemin uitgesproken, was de visie van Lotte Jensen, die er in NRC Handelsblad voor pleitte om de term ‘gouden eeuw’ vooral niet te schrappen, “omdat deze als didactisch instrument kan dienen om studenten kritisch te laten reflecteren op het eeuwenoude proces van Nederlandse natievorming.”

Dat klinkt natuurlijk erg nobel en zo is het vast ook bedoeld, maar als vakgenoot ben ik toch een andere mening toegedaan. Kritisch reflecteren op het verleden kan volgens mij ook prima zonder de term ‘gouden eeuw’ te blijven gebruiken. Ooit werd de achttiende eeuw de Pruikentijd genoemd, en de middeleeuwen heetten in het Engels de ‘Dark Ages’. Die termen vinden we inmiddels achterhaald. Het is doodnormaal dat de taal waarin we het verleden beschrijven voortdurend verandert.

Achter Jensens redenering gaan bovendien twee denkfouten schuil. Ten eerste plaatst ze haar eigen “genuanceerde omgang met het verleden” tegenover die van politici, die de geschiedenis zouden manipuleren, kneden en bewerken. Ze suggereert daarmee dat er ook zoiets bestaat als een neutrale geschiedschrijving. Maar het punt is nu juist dat het schrijven van de geschiedenis altijd een gekleurde – en dus politieke – bezigheid is, of dit nu wordt gedaan door wetenschappers of door activisten.

Nuance vormt uiteraard een belangrijke deugd in zowel de wetenschap als het publieke debat. Er bestaat echter ook zoiets als voortschrijdend inzicht. In de bestudering van ons koloniale verleden wordt racistische taal inmiddels zoveel mogelijk vermeden. Er valt net zo goed iets voor te zeggen om de Nederlandse zeventiende eeuw niet meer te bekijken vanuit een natie-verheerlijkende bril. Want hoezeer je het verhaal van de Gouden Eeuw ook nuanceert, het blijft een kader waarin de vaderlandse trots domineert. 

Ten tweede heb ik moeite met Jensens gebruik van het woord schrappen. Dit wekt de indruk dat het vanaf heden per decreet verboden zou zijn om de term ‘gouden eeuw’ te gebruiken. Zo is de actie van het Amsterdam Museum inderdaad door velen opgevat (zie Pleij). Maar niemand verbiedt hier iemand iets. Ingrepen als deze zijn hooguit een voorstel om anders naar de geschiedenis te kijken, namelijk minder expliciet gefocust op het perspectief van de winnaars (de rijke Hollandse kooplieden) en minder gericht op de verheerlijking van het verleden.

Dit misverstand dreigt anno 2019 menig debat over identiteit en diversiteit dood te slaan. Wie pleit voor meer inclusiviteit, of dat nu is op het gebied van de geschiedenis of binnen de hedendaagse media, krijgt steeds weer te horen dat hij voor taalpolitie wil spelen. Maar uiteindelijk gaat het niet om het schrappen of verbieden van woorden, maar om het veranderen van onze blik op de wereld. Taal stuurt die blik en de aanpassing daarvan kan ons dus helpen om nieuwe perspectieven te ontwikkelen.