Schrijvende dokters

Door Nico Keuning

Zaterdag 21 september vond er aan de VU in Amsterdam een symposium plaats onder de titel ‘Schrijvende dokters’. Literatuur en geneeskunde vormen een interessant verband onder schrijvende dokters (en psychiaters). Hierbij gaat het niet om publicerende, westerse schrijvende dokters, maar om literair erkende auteurs. Tachtig in totaal, volgens Arko Oderwald, bijzonder hoogleraar Literatuur en geneeskunde aan de Universiteit voor Humanistiek. Onder de Nederlandse psychiaters betreft het veelal dichters. Denk aan Vasalis, Rutger Kopland, Frank Koenegracht en Toon Tellegen.

 Anton Tsjechov, Alfred Döblin, Louis-Ferdinand Céline, Arthur Conan Doyle en de Amerikaanse dichter William Carlos Williams zijn enkele bekende buitenlandse namen, naast Nederlandse dokters als Cola Debrot, Belcampo, Simon Vestdijk en Willem Brakman. Een groot aantal van de schrijvende dokters – Vestdijk bijvoorbeeld – heeft al in een vroeg stadium de stethoscoop aan de wilgen gehangen om zich nader toe te leggen op het schrijven. Zij vallen in de categorie ‘Niet dokteren’. J. Slauerhoff heeft tot het eind van zijn korte leven ‘gedokterd’. En ook Céline hoort bij de groep ‘Wel dokteren’, als we afgaan op het bord ‘médecin des pauvres’, dat hij nog tot kort voor zijn dood in Meudon in de tuin had staan.

 De schrijver Willem Brakman dook op in de categorie ‘Bijzonder dokteren’, of ‘niet klinisch medisch beroep’, wat ik als biograaf van Brakman interpreteerde als praktiserend bedrijfsarts. Brakman studeerde in december 1951 af. Na zijn studie geneeskunde in Leiden en militaire dienst in Ede begon hij in 1955 een zelfstandige huisartspraktijk aan de Meppelweg in Den Haag, in de wijk Morgenstond. Na twee jaar dreigde hij te bezwijken onder een te zware huisartspraktijk van lange dagen, nachtdiensten en een hopeloos chaotische administratie. Bovendien vindt hij huisarts een ‘zeurvak’: ‘Mensen klagen,’ zei hij in een interview. ‘Verknoedelde levens, hulpeloos overgeleverd aan hun problematiek. Weinig verdienen, beroerd wonen, een rotbaan en een slecht huwelijk. En dan naar de dokter: “Ik ben zo moe, altijd maar zo moe.” Daar heb ik geen geduld voor.’ 

 Brakman solliciteert in 1957 op een baan als bedrijfsarts bij de Bedrijfsgeneeskundige Dienst Enschede. Een goed betaalde baan in de luwte stelde hem in staat onbevangen en vrij te schrijven. De functie van bedrijfsarts stelde in die tijd niet al te veel voor. In de Enschedese roman De oorveeg (1984) krijgen we met ‘bedrijfsdokter’ Victor Loog een inkijkje in de sollicitatieprocedure van het impliciete personage Brakman. De lezer betreedt de voormalige villa aan de Tromplaan op nummer 25. In de ontvangstkamer, achter de tafel, zitten een magere en een dikke man. Loog (lees Willem Brakman) liegt er orerend op los: ‘Mijn vorige werk voldeed mij uitstekend,’ vertelt Loog. ‘Het was een boeiende werkkring waar ik veel ervaring heb opgedaan, en het is niet dan met spijt dat ik daar weg zou gaan.’ Hij wil nu iets met ‘een wijder veld van ervaring’ en pakt uit over zijn ‘positieve instelling tegenover mens en dier, zijn groeiende belangstelling voor de industrie, statistieken, vergaderen, voor het product in het algemeen’. ‘Alles gelogen,’ voegt de schrijver eraan toe, ‘maar hij stond daar en kon niet anders, omdat zijn bewassing, voeding, kleding en behuizing dat noodzakelijk maakten.’

 De zekerheid van een inkomen, gaf Brakman de vrijheid om te schrijven. 

 In het romanfragment voegt zich een onbekende bij het gezelschap. ‘Wij hebben hier interessant werk voor u,’ zei de onbekende, ‘in en buiten de stad, de fabrieken liggen overal verspreid.’ De verteller vult aan: ‘Dat laatste was overigens een nadeel, want het kwam voor dat men daardoor een arts helemaal niet meer kon vinden. Overal was die dan net ergens weg en nog nergens aangekomen.’ Sollicitant Loog spitst de oren. Dat is precies iets voor hem, voor de schrijvende dokter Willem Brakman, wel te verstaan. Brakman wordt aangenomen. Drie jaar later zal hij debuteren in het literair tijdschrift De Gids met het verhaal ‘Bij hoog en bij laag’, een van de verhalen die later zullen worden gebundeld in De weg naar huis (1962). Maar eerder al, in 1961 verschijnt bij uitgeverij Querido zijn debuutroman Een winterreis. De roman vormt het begin van een monumentaal literair oeuvre.