Hetgeen geen vers en is, dat moet nootsaeklick proos zijn

Door Ton Harmsen

Een toneelstuk lezen stimuleert de verbeelding. De lezer is zijn eigen regisseur: hij moet zich de situatie voorstellen, en de mimiek en intonatie waarmee een personage zijn woorden uitspreekt. Een goed geregisseerde toneelvoorstelling of een verfilming daarvan kan een uitstekende leeshulp zijn. In Nederland bestaat geen doorlopende traditie van opvoeringen van zeventiende-eeuws toneel maar in Frankrijk wel. Molière regisseerde zijn komedies zelf en speelde er vaak de hoofdrol in: zijn spelen werden opgevoerd voor Lodewijk XIV en zijn toneelgezelschap had een vaste positie aan het hof. Kort na Molière’s dood ontstond daaruit de Comédie Française die de succesvolle fakkel tot op de dag van vandaag doorgeeft. En die werd weer overgenomen, gevarieerd en aangevuld door andere gezelschappen.

Een van de geestigste stukken die in de zeventiende eeuw geproduceerd zijn is Le bourgeois gentilhomme (1670) van Molière, in samenwerking met zijn vriend de componist Jean-Baptiste Lully, een van de grondleggers van de opera. Het stuk zit vol met muzieklessen: het publiek krijgt allerlei soorten zang en dans voorgeschoteld. Als je alleen de gedrukte tekst leest, mis je met de gezongen en gespeelde muziek de helft van deze ‘comédie-ballet’.

Dat spel is ook in Nederland populair geweest, getuige de zes uitgaves die er zijn van de vertaling door Adriaan Peys. Twee daarvan zijn bij Ceneton te lezen, en die tekst is op eigen kracht vermakelijk genoeg. Monsieur Jourdain, de burger die zich in zijn hoofd haalt dat hij edelman moet worden, leeft in het stuk voortdurend in een waanwereld. Dat maakt hem niet alleen belachelijk, maar ook gevaarlijk voor zijn directe omgeving.

Hij kleedt zich op potsierlijke wijze als een hoveling en hij laat zich opvoeden door een dansmeester, een muziekmeester, een schermmeester en een maître de philosopie. Als hij naar een privé-concert begint te luisteren kan hij zijn wispelturigheid niet bedwingen:

    Kom geeft mijn Nachtrock, op dat ick te beter hoore!
    Neen, wagt, het lijckt dat in de rock de gallem slaet;
    (80) Maer even langt hem my, het schijnt ’t soo beter gaet.

Een fragmentje, drie verzen, waar je in eerste instantie zo overheen leest. In Molière’s tekst (in proza) is het fragment even kort:

Donnez-moi ma robe pour mieux entendre….. Attendez, je crois que je serai mieux sans robe….. Non, redonnez-la-moi, cela ira mieux.

Dat klinkt niet spectaculair. Maar in de toneelvoorstelling die Fraudreau en Dumestre geregisseerd en gefilmd hebben is het een briljant moment, want hier gebeurt veel meer dan deze gesproken tekst laat zien: zij maken er een machtsspelletje van, een scène waarin we de ware aard van de personages leren kennen. De burger-edelman gaat met veel overbodige zwierigheden in zijn fauteuil zitten, hij heeft zo-even zijn ‘robe’ of ‘nachtrock’ afgelegd, eigenlijk alleen om van de gedienstigheid van zijn lakeien te genieten. Op het moment dat het hele gezelschap klaar staat voor de muziek geeft Jourdain in zijn drang naar perfectie opdracht om hem weer in zijn kamerjas te helpen. Dan geeft hij de zanger een wenk dat hij kan beginnen. Twee tellen later onderbreekt hij hem – genietend van zijn macht om iedereen voor hem te laten rennen – om zich weer van zijn robe te laten ontdoen; de musicus is ontstemd, de lakeien nemen hem het kledingstuk met uitvoerige plichtplegingen af. Hij wenkt de zanger dat hij opnieuw kan beginnen, en dan herhaalt het zich: hij onderbreekt de zanger om zich opnieuw te laten kleden. Zo krijgen deze drie verzen (bij Molière 23 woorden) een maximaal theatraal effect. De mimiek van de parvenu en de kunstenaar levert niet alleen een komisch schouwspel op, het laat ook zien wat de beweegredenen en de machtsmiddelen van monsieur Jourdain zijn. Wie de scène in de regie, of liever in de choreografie van de Franse videofilm heeft gezien, leest deze korte passage met andere ogen. Merk en passant op dat Adriaan Peys de scène nog verfraait door een potsierlijk argument te verzinnen voor het afleggen van de mantel: als je in een jas naar muziek luistert slaat de galm erin.

Zetfouten op de titelpagina

De vertaling in het Nederlands is in Den Haag gedrukt, beslist nog in de zeventiende eeuw en zeker na 1670; een datering op 1675 of 1680 is het meest waarschijnijk. Zij verscheen in Den Haag bij Levijn van Dijck, die op de titelpagina de toon zet door het spel Bourgois gentilhome te noemen, terwijl in Den Haag toch ruimschoots Frans gesproken en geschreven werd. De zetter is verder overigens redelijk betrouwbaar, hij maakt af en toe gemakkelijk te restaureren zetfouten; maar een enkele keer is het nodig de Franse tekst erbij te halen om te weten wat hij precies bedoelt. Voor de editeur zijn dat aardige momenten.

In het spel treedt een graaf op die misbruik maakt van de naïviteit van monsieur Jourdain, en hem wijs maakt dat een markiezin een oogje op hem heeft – als Jourdain haar dure cadeaus wil geven, zal de graaf die voor hem overbrengen. Molière stelt  zo de zeden van het hof aan de kaak: overspel en corruptie tegelijk. In de Nederlandse vertaling is dat overigens danig gekuist; de verliefdheid van de getrouwde burger-edelman is zorgvuldig weggepoetst. Zo gewiekst als de graaf profiteert, zo ongelukkig is de dochter van Jourdain onder de grootsheidswaan van haar vader: haar geliefde Cléonte is gewoon een burgerjongen en daarom voor Jourdain ineens niet meer acceptabel als schoonzoon. De spanningen die dit opwekt beschrijft Molière met heen-en-weer zwalkende petrarkistische en antipetrarkistische motieven in de dialogen van de geliefden. Zoals vaker spiegelt hij de liefde van de burgers met die van hun bedienden, zodat Coviëlle, de bediende van Cléonte, in hetzelfde schuitje zit. Ook Coviëlle vreest dat hij bedrogen wordt door Nicole, de dienstmaagd van de familie Jourdain:

Cov.  Het is een schellemstuck dat duisent slagen waert is.
Cle.  En spreeckt mij altoos van hare ontschulding niet.
Cov.  Daer van behoet mij ’t lot.  Cle. Maekt dat sij mij niet siet.
Cov.  Mijn Heer, en hebt geen vrees.
Cle.                                                    Want al wat gij wilt seggen
    (900) Tot haer ontschulding, sal ick eeuwig wederleggen.
Cov.  De droes die droomt’er van.  Cle. ’k Wil haer mijnedichêen
    Met haer [!?] beloonen.  Cov. Goet, mijn Heer, ick ben te vrêen.

Inderdaad is ‘haer’ een zetfout, en ook al vertaalt Peys hier tamelijk vrij, de Franse tekst levert het bewijs: ‘Je veux contre elle conserver mon ressentiment, et rompre ensemble tout commerce.’

Een andere corrupte passage die aan de hand van het Frans te reconstrueren valt is vs. 1436-1439, waar de graaf huichelachtig zegt:

    Den edelen Jourdijn en sal in ’t minst noch meest.
    Hem verhoveerdigt, door de eer van hem verkregen;
    En die in sijn geluck laet niemant niet verlegen,
    Om hem te eeren, die hy kent voor sijnen vriendt.

Bij Molière lezen we: ‘Vous voyez, Madame, que Monsieur Jourdain n’est pas de ces gens que les prospérités aveuglent, et qu’il sait dans sa gloire [of: grandeur] connaître encore ses amis.’ Dus de punt achter ‘meest’ moet weg, en voor ‘verhoveerdigt’ moeten we ‘verhoveerdigen’ lezen. En in vers 1438 gaat het mis met het relativum: ‘En hy is iemand die […]’

Een les in fonologie

Prachtig is het optreden van de filosoof, die een diepe indruk maakt door Jourdain uit te leggen dat alles wat geen proza is, poëzie is, en alles wat geen poëzie is, proza. Op verzoek van Jourdain laat hij zien hoe je een eenvoudige liefdesverklaring op veel manieren kan formuleren, een prachtige les in ‘Woordvolgorde in het Frans’. De tekst van Molière is hier komisch genoeg, maar door een ballet maakt de filosoof in de regie van Fraudreau en Dumestre er een briljant circusnummer van: heen en weer springend beeldt hij de woordvolgorde uit. Zijn kennis van Latijn en geografie kan hij aan deze leerling niet kwijt, en de stoïcijnse ethica valt al helemaal niet in goede aarde. Maar hij vindt een gewillig oor voor zijn explicatie van de fonologie:

    Soo dient van u, mijn Heer, heel wel in acht genomen,
    Dat men de woorden konst voor eerst beginnen moet,
    (390) Door vaste kennis van de lett’ren; dese doet
    Ons kennen hoe men kan verscheydelijcke spreken;
    Hier op, als ick ’t getal der lett’ren overreken,
    Bevind ick die te zijn een deel Vocalen, en
    De rest dient dat mijn Heer voor Consenanten ken;
    (395) Het woort Vocalen zeyt dat dees alleen oock luyden;
    De Consenanten, dees en kunnen niet beduyden,
    Ten sy dat sy met een van de Vocalen slaen;
    Vocalen zijn A, E, I, O, U.  Iourd. ’k Hebt verstaen.
Philos.  Nu, om de letter A, volkomen uyt te spreken,
    (400) Soo opent sterck de mondt, A
Iourd.                                                  A, goet, dat sijn treken.
Philos.  Nu, om de E. moet gy het onderst’ van de mont
    Na d’ooren brengen; A, E.  Iourd. A, E, ’k hebt terstont.
    A, E. Wat is het schoon! Philos. En nu, voor d’I, noch meerder
    Na d’ooren; A, E, I.  Iourd. Ter werelt geen geleerder;
    (405) A, E, I, I, I, I. Lang leef de wetenschap.
Philos.  Mijn Heer, niet teffens? maer so voort, van trap tot trap;
    Tot d’O; soo sluyt gy weer de lippen by malkand’ren,
Iourd.  ô, ô, A, E, I, O, hoe kan den Mensch verand’ren?
Philos.  Het open dat gy laet is recht gelijck een O.
        [Bij Molière: L’ouverture de la bouche fait justement
        comme un petit rond qui représente un O.]
Iourd.  (410) Laet sien, O, O. Ja Heer, al dat gy segt is soo.
Philos.  Voor d’U, soo moet mijn Heer by na sijn tanden sluyten,
    En de twee lippen wat uytsteecken, soo na buyten,
    Sonder te voegen die nochtans geheel by een,
    U, U.  Iourd.  U, U, Mijn Heer, ’t is meerder als gemeen.

Het wordt pas echt komisch als Jourdain deze pasverworven kennis even later aan de dienstbode Nicole probeert uit te leggen. Hij is apetrots op deze wijsheid, maar hij loopt tegen de muur van haar nuchterheid. Hetzelfde gebeurt als hij Nicole probeert te epateren met zijn pasverworven schermkunst: zij prikt daar letterlijk doorheen. Zoals vaak bij Molière blijkt de servante onverwacht goed in staat voor zichzelf op te komen.

Liefde door de knecht gered

Het rampzaligste gevolg van de hersenschimmen van Jourdain is dat hij zijn dochter alleen maar wil uithuwelijken aan een persoon van adel, terwijl zij verliefd is op Cléonte. Ook al wordt die gesteund door mevrouw Jourdain, hij krijgt bij de bourgeois-gentilhomme geen poot aan de grond. Als Cléonte definitief is afgewezen krijgt zijn knecht Coviëlle een briljant idee. Alleen al van de vier verzen waarin dit idee geboren wordt bouwen Fraudreau en Dumestre een meesterlijke scène, waarin de knecht Coviëlle met mimiek en lichaamstaal laat zien dat hij door een plotseling inzicht zijn teleurstelling omzet in vastberadenheid:

Cov.  (1090) Nu siet mijn Heer te laet hoe het hier mee gegaen is;
    Doch, daerom niet getreurt, ick heb soo braven vont
    Om hem te scheeren, als gij immer denken kont;
    Daerom vertrecken wy, eer hy hier weer mocht komen.

Tussen het eerste en het tweede vers van deze passage leveren mimiek en choreografie in de traditie van de commedia dell’arte hier een indrukwekkende scène. Het plan dat bij hem binnenflitst is Cléonte te vermommen als een Turkse prins, en daarmee Jourdain te verleiden hem als een fantastische schoonzoon te zien. De scène is tamelijk absurd: in West-Europa werden in de zeventiende eeuw maar heel weinig Turken als gewenste schoonzoon beschouwd, maar Jourdain trapt er met open ogen in. Hij wordt verblind door oosterse pracht en praal, als de vrienden van Coviëlle opkomen met een wervelend Turks ballet. Cléonte spreekt alleen ‘Turks’, en Coviëlle is de tolk – soms vertaalt hij een enkel woord met een hele volzin, maar Jourdain laat zich alles wijsmaken. Volgens de Turken is de adel van Jourdain niet verheven genoeg: de Turkse prins wil zijn dochter hebben maar dan moet hij eerst een hoge adellijke titel aannemen:

Cov.                                                           Ja om nu altemael
    Het geen my is belast, op ’t spoedigst te volbrengen,
    Soo weet u Schoon-soon wil in ’t minste niet gehengen
    Dat gy sult sijn van de gemeene Edelheyt.
Iourd.  Wat wil hy? segt my?
Cov.                                        Dat gy Mamamouchie zeyt.
Jourd. (1295) Mamamouchie?  Cov. ô Ja, en die dat daer bedienen;
    Dat zijn al even eens gelijck de Palatinen,
    In oude waerdigheyt, van yder een geacht.

Jourdain laat zich beetnemen, en onderwerpt zich aan een indrukdwekkende ceremonie. Een komische wending is dat nu juist zijn vrouw zich weer tegen dit vermeende turkenhuwelijk verzet – maar als Coviëlle haar influistert dat de Turkse prins een vermomming van Cléonte is, is de zaak gered. Jourdain blijft tot het eind van het stuk gelukkig in zijn waan nu een Turkse edelman te zijn, en er zullen twee huwelijken worden gesloten.

Op het internet zijn verschillende Franse uitvoeringen van Le bourgeois gentilhomme te vinden, soms gemoderniseerd, soms klassiek en een aanrader is die van Martin Fraudreau en Vincent Dumestre (2005) met prachtig spel en originele muziek. Die laatste is artistiek het beste. Wij zijn altijd verbaasd dat pas zo laat in de zeventiende eeuw vrouwerollen door mannen gespeeld werden in de Amsterdamse schouwburg, maar hier drukt Nicolas Vial met zijn falsetstem overtuigend de verbijstering en de wanhoop van Madame Jourdain uit. Het is wel even wennen dat de regisseurs de onzalige gedachte hadden alle personages een soort zeventiende-eeuws Frans te laten spreken, met veel onverwachte klanken. Rembrandt die zogenaamd zeventiende-eeuws Nederlands spreekt is een curiositeit, maar hier gaat het om een avondvullende voorstelling.

Het Franse spel is in proza, Adriaan Peys heeft het in dichtvorm vertaald. Op gezag van het Biographisch anthologisch en critisch woordenboek der Nederduitsche dichters van P.G. Witsen Geysbeek worden de herdrukken van 1700 en 1728 door alle catalogi aan Hendrik Maas toegeschreven, maar niet door Ceneton: die vertaling wijkt nauwelijks af van de zeventiende-eeuwse tekst van Adriaan Peys. De eerste druk (ca. 1675) en een herdruk van 1700 zijn door Gerrit van Uitert uitgegeven op de site van de Opleiding Nederlands in Leiden. Daar zijn ook een tiental andere Molière-vertalingen te vinden.