Het jodinnetje (1929)

Jeugdverhalen over joden (54)

Door Ewoud Sanders

Uit het Duits vertaald door A.H. Schlüter (1877-1946)

Herkomst en drukgeschiedenis

Het jodinnetje is vertaald/bewerkt door Alberdina Hermanna Schlüter, onder haar schrijversnaam AHS/Hermanna. De oorspronkelijke titel en de naam van de orginele schrijver is niet bekend.


Twee omslagen van Het Jodinnetje. De illustraties zijn gemaakt door Hendrik (‘Henk’) Poeder (1897-1958).

          Schlüter debuteerde in 1899 bij uitgeverij G.F. Callenbach met Op den Lindenhof. In totaal zou zij zo’n dertig jeugdboeken publiceren, waarvan sommige door de Nederlandsche Zondagsschool-Vereeniging werden bekroond. Dit geldt bijvoorbeeld voor Het huisje onder de hooge dennen en Haar vriendje.

          Het jodinnetje is een vrije bewerking van een Duits bekeringsboekje. Schlüter situeerde het verhaal in Nederland; de rijke tante (‘Bekka’), die ervoor zorgt dat Hanna op een ‘Christenschool’ terechtkomt, woont in Amsterdam.

          Het jodinnetje verscheen in 1929 bij uitgeverij G.F. Callenbach in Nijkerk en beleefde één druk. Najaar 1934 was dit boek nog leverbaar.

Samenvatting

Hanna Simon is twaalf. Zij is de dochter van een doodgraver. Het gezin Simon – vader, moeder, drie kinderen – woont bij het ‘Jodenkerkhof’, een eind buiten de stad. Hanna’s broertjes gaan naar een joodse school, maar op aandringen van een rijke tante volgt Hanna sinds drie jaar onderwijs op de christelijke meisjesschool in de stad.

          Hanna’s ouders zijn hiermee akkoord gegaan onder voorwaarde dat Hanna de Bijbellessen overslaat. En dat zij niet kijkt of luistert als het op school over Jezus gaat.

          Vanwege de ziekte van een docent worden de Bijbellessen opeens verplaatst. Hanna mag achter in de klas blijven zitten, om daar te werken aan een opstel. Tegen wil en dank luistert ze mee.

          ‘Hanna boog zich weer diep over haar schrift. ’t Was haar alsof zij de stem van haar moeder weer evenals gisteravond hoorde roepen: “Doe je oogen toe, en houd je ooren dicht!” Ja zeker, zij moest ’t probeeren, ze was immers een Jodinnetje. Maar toch, toch zag zij Hem, den Heiland – zij zag Hem ook met gesloten oogen, zag Hem zoo duidelijk, den liefdevollen Heer, dat zij Hem alles zou hebben kunnen zeggen wat haar hartje blij of bang maakte.’

          Als enige in de klas weet Hanna het antwoord op een vraag over Jezus. De juf kust Hanna op haar voorhoofd en zegt heel zachtjes: ‘God helpe je.’ Elsje, de dochter van de dominee, stelt dat niet op prijs: ‘Schaam je je niet over Jezus te spreken, terwijl jullie Hem toch aan ’t kruis hebben geslagen?’

          Als Hanna iets over Jezus aan haar vader vertelt, schreeuwt de doodgraver, zwaaiend met zijn spade: ‘Zwijg! Nog één woord over den Nazarener en ik sla je, zooals ik je nog nooit heb geslagen. Liever wil ik hier morgen aan den dag je graf graven, dan dat je iets te doen zoudt hebben met den valschen Messias.’

          Niet lang daarna weet Hanna op het nippertje te voorkomen dat het broertje van Elsje door een rijtuig wordt overreden. Ze loopt een hoofdwond op en moet een paar dagen bedrust houden.

          Elsje komt Hanna vol spijt thuis opzoeken, samen met de schooljuf. De hoofdwond valt mee, maar Hanna – tenger en bleek – blijkt al dagen met een longontsteking rond te lopen. IJlend van de koorts zegt ze tegen haar vader: ‘Vader, zeg toch niet, dat Hij daar in de diepte, in ’t graf moet blijven. Vader! Jezus, mijn Verlosser, leeft.’

          De schooljuf stelt Hanna gerust door een psalm voor te dragen die begint met de regels ‘Jezus, mijn Verlosser, leeft,/ ’k Zal als Hij onsterflijk wezen’ (Gezang 234:2).

          Nadat Hanna is overleden, vraagt Elsje of Hanna op het Jodenkerkhof zal worden begraven. Zeker, antwoordt de juf, maar ‘de Heiland zal haar graf evengoed op ’t Jodenkerkhof kunnen vinden. O, wat zal Hanna nu gelukkig zijn, onuitsprekelijk gelukkig. De goede Herder heeft Zijn schaapje thuis gehaald.’



Links: de strenge vader van Hanna Simon, die zegt liever een graf voor zijn dochter te delven, dan haar over Jezus te horen spreken.
Rechts: Hanna met haar moeder, Judith, die haar dochter adviseert de oren en ogen dicht te houden als er op school over Jezus wordt gesproken.

Doelgroep en receptie

Volgens het Nieuwsblad voor den boekhandel van 1929 was Het jodinnetje geschikt voor jongens en meisjes van elf tot veertien jaar; uitgeverij Callenbach achtte het in 1930 geschikt voor jongens en meisjes van negen tot dertien. Van Het jodinnetje is één bespreking aangetroffen. ‘Het boekje lijdt aan onwaarschijnlijkheid’, oordeelde de Gereformeerde Zondagsschoolvereniging Jachin in 1929. ‘Misschien dat “naar het Duitsch” een en ander verklaart. Dat in Holland een jodinnetje naar de Christelijke school zou gaan en vrijgesteld worden van de Bijbelles, is vreemd. De houding van het vriendinnetje en haar abstracten vader is nog vreemder. (…) Eén en ander vermindert onze waardeering voor het werkje.’ Desondanks luidde het eindoordeel: ‘Aanbevolen.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Het jodinnetje (1929)

  1. Eveline Van Ditmarsch schreef:

    Kreeg ooit ( ben nu 80) van tante:
    Het Jodinnetje van Elspeet.
    Een droevig verhaal over Joods meisje , door zigeuners meegenomen, tot dat zij haar tante ergens hoort zingen en weer herenigd wordt met haar familie…..

Laat een reactie achter