Gefopt door een jood en een aap (1838)

Jeugdverhalen over joden (57)

Door Ewoud Sanders

Auteur: George markies de Thouars (1807-1850)

Herkomst en drukgeschiedenis

Het gedicht ‘Brief van Leonard aan zijn zusje’ staat in het Dichtbundeltje voor de jeugd. Hoewel de titelpagina geen auteursnaam vermeldt, onthulde E.J. Potgieter in een bespreking in De Gids (zie hieronder) al snel wie de auteur was: George markies de Thouars.

          George de Thouars kwam uit een aanzienlijk adellijk geslacht, maar groeide in armoede op in een klein dorp in Twente. Hij was korte tijd page aan het hof van koning Willem I, klerk van het kantongerecht en officier in het leger. Wegens drankmisbruik werd hij uit het leger ontslagen.

          Vanaf 1830 publiceerde De Thouars zo’n twintig dichtbundels. In veel van zijn gedichten bezingt hij het koningshuis. Ook schreef hij gedichten in het Twents.

          De Thouars, die zich liet voorstaan op de titel markies, eindigde zijn leven als bedelaar. In necrologieën werd vermeld dat hij kort voor zijn dood langs een landweg was gesignaleerd, ‘in lompen gehuld (…) zich vergastende aan een stuk brood, hem door de weldadigheid uitgereikt’.

          Dichtbundeltje voor de jeugd beleefde vier drukken: in 1838 en 1840 bij de gebroeders Vermande in Hoorn, in 1851 en 1853 bij D. Noothoven van Goor in Leiden.

‘Brief van Leonard aan zijn zusje’

In ‘Brief van Leonard aan zijn zusje’, een gedicht van 76 regels, vertelt Leonard aan zijn zusje Lina wat hij allemaal heeft gezien en meegemaakt in de grote stad die hij bezoekt.

’k Wil u dan maar kort verhalen,
Wat er hier alzoo bestaat:
Groote kerken, mooije zalen,
In een uren lange straat.
Pleinen zijn er veel, en grachten,Markten, bruggen zonder end.

De stad is gevestigd ‘in Holland’, een naam wordt niet genoemd.

Joden, die ik staag zie loopen,
Stooten mij op straat omveer;
Altoos willen zij wat koopen,
Of verkoopen aan een’ heer;
’k Heb al stokken, sporen, zweepen,
Maar, helaas! te duur gekocht;
Wie verstaat toch al die knepen?


Een ‘kermisvent’ probeert de gestolen beurs van Leonard terug te pakken. Illustratie uit Dichtbundeltje voor de jeugd (1853). Gravure door J.P. Lange (1810-1849).

Op een kermis in de stad heeft Leonard een beestenspel bezocht, een tent met gedresseerde wilde dieren. Daar heeft een aap zijn ‘beursje’ gestolen; hij moest ‘vier centen’ betalen om het terug te krijgen (‘kermisventen zijn zoo waar geen buitenliên!’). Hij is nu blut en vraagt Lina hem ‘wat vijfjes’ toe te sturen. Het gedicht eindigt met een kort ‘Naschrift’, waarin Leonard tegen zijn zusje zegt:

’k Zal mij nooit weêr laten foppen
Door een aap of jood, wie ’t zij,
Maar aan de armen eer wat geven,
Wees nu maar niet boos op mij.

Doelgroep en receptie

Ik vond drie besprekingen. ‘Wat den geest en de zedelijke strekking betreft, verdient dit boekje alle aanbeveling’, oordeelde Vaderlandsche Letteroefeningen in 1839. Boekzaal der geleerde wereld schreef een jaar later: ‘Er komen goede gevoelens in voor, eenige stukjes onderscheiden zich voordeelig, en hebben ook dichterlijke waarde en de uitvoering is net.’

          De uitvoerigste bespreking – zes pagina’s lang – verscheen in De Gids van 1839 en was van E.J. Potgieter. Die had snel door welke ‘naamlooze Dichter’ deze gedichten had gemaakt. ‘Zijne talentvolle versificatie, zijne stukjes in den Twentschen tongval, zijn liefde voor het Huis van Oranje, verraden zijns ondanks den Marquis de Thouars.’

          Potgieter kende De Thouars’ eerdere werk. ‘Uit de Poëzij, vroeger door ZEd. uitgegeven, zouden wij hem weinig aanleg hebben toegeschreven, versjes voor de jeugd te dichten; het is slechts billijk te erkennen, dat hij onze verwachting overtrof.’ Vervolgens citeert Potgieter als eerste een flink stuk uit ‘Brief van Leonard aan zijn zusje’ – een fragment dat hij vindt getuigen van het ‘meesterschap’ van De Thouars.

          Overigens had Potgieter ook kritiek op de markies, die in het openingsversje een meisje opvoert dat geen plezier beleeft aan de poëzie van Hieronymus van Alphen: ‘Altoos lezen in van Alphen (…) Is mij even zoo vervelend, / Als op school een keer of zes / ’t Zelfde voorschrift af te schrijven’. Potgieter vindt die kritiek ongepast en eindigt met een advies aan De Thouars: ‘Hij zie af van de hopelooze mededinging met Van Alphen, hij betrede zijn eigen weg.’