Eer dhondekine quamen

Door Jos Houtsma

Het Gruuthuse-handschrift (Bron: KB)

De negende tekst in het derde deel van het beroemde Gruuthuse-handschrift is een gedicht van     218 regels, verdeeld over 35 ‘strofen’ van uiteenlopende lengte, waarin personages ten tonele worden gevoerd in een “minnetuin”, een tuinlandschap waar men zich wijdt aan de hoofse liefde. Wat de personages zeggen, in zichzelf of tegen elkaar, wordt steeds voorafgegaan door een opschrift van een paar woorden waarin het personage wordt getypeerd en waarin soms iets wordt meegedeeld over de omstandigheden waarin hij of zij de tekst zegt. K. Deleu, die in 1961 een mooi en erudiet artikel over gedicht 9 publiceerde, heeft opgemerkt dat in iedere strofe een ander personage aan het woord is. De mensen die in gedicht 9 hun rol spelen, zeggen dingen, reageren op elkaar, maar het gebeurt geen enkele keer dat een van de personages voor de tweede keer aan het woord komt. Een echt toneelstuk, met een dramatische ontwikkeling, ontstaat zodoende niet. Deleu beschouwt  gedicht 9 als een “schilderij-gedicht”:  de lezer moet de personages “in een of ander kunstwerk, in een schilderij, een miniatuur, een tapijt, of nog waarschijnlijker in een reeks schilderijen of miniaturen” voor ogen hebben gehad. Herman Brinkman werkt deze opvatting nader wordt uit  in zijn uitgave van de Gruuthuse-teksten van 2015, maar het is niet onmogelijk dat 9, zoals al is gesuggereerd door Te Winkel, toch is bedoeld als een soort rollenspel bij de opvoering van een tableau vivant, een ‘tableau parlant,’ of wie weet zelfs een ‘tableau chantant’: veel van de strofevormen in lied 9 worden ook in de liederen uit het Gruuthuse-handschrift gebruikt.

Een van de scènes in gedicht 9 is die in regel 75–93. Er worden hier drie personages ten tonele gevoerd. De man die peinzend bij het water zit, de vrouwe, en de dienstknecht die komt waarschuwen dat het eten klaar is: 

De man, sittende up twater, penseus bi zinen lieve
75 Hoe wonderlic es der minnen cracht,
Sone doet den zinnen dach no nacht
Remedye van haerre meestrie.
Mijn herte es nu in rusten zacht,
Nochtan zo comt in mijn ghedacht
80 Bi twivele eene melancolye,
Ende destrueirt mijn melodye.

De vrauwe
Heere, laet hu peinsen staen:
De cnape die zeicht ons dat wi gaen.
Spise end dranc es al bereit.
85 Hu trueren dat zoude arde zaen
Mijnre herten rauwe doen ontfaen,
Ende onrecht eist doet men hem leit
Die niet en ghert dan steidicheit.

De cnape om eten
Ghelievet hu, heere, spise ende dranc
90 Was al bereit eer dhondekine quamen.
Ic hadde hu gheroupen overlanc,
Haddic hu niet ghewaent vergramen.
Comt als ghi wilt in gods namen.

De algemene strekking van de passage is wel duidelijk. De liefde is een harde meesteres, want zelfs hier voelt de minnaar een twijfel aan hem knagen die zijn “melodie” bederft – melodye hier allicht zoals vaker in Middelnederlandse teksten overdrachtelijk gebruikt voor “stemming”, maar wie weet ook een aanwijzing  dat de gelieven hebben zitten zingen. De dame wuift zijn muizenissen weg. “Stop alsjeblieft met dat gepieker,” zegt ze, “hier is een jongen die zegt dat de tafel is gedekt. Je bent zo treurig dat ik er zelf treurig van zou worden. Het is niet eerlijk om een hart verdriet te doen dat niets dan trouw verlangt.” Curieus is dat de dienstknecht vervolgens zelf sprekend wordt opgevoerd. “Alstublieft, heer,” zegt hij, zich tot de minnaar wendend, “het eten is klaar. Als ik niet bang was geweest u te ergeren, had ik u allang geroepen. Kom alstublieft.” 

Het is een intrigerend tekstje dat we hier hebben. Negentien regels, verdeeld over drie strofen. De strofe van de minnaar is elegant gerijmd: aabaabb; de dame antwoordt hem in dezelfde strofevorm; waarna de knecht, nauwelijks minder sophisticated, met een strofe  ababb, de scene afrondt. De eerste strofe is geheel geformuleerd in de gangbare terminologie van de hoofse liefde. Toch is wat ons hier voor ogen wordt getoverd niet zo maar conventioneel. De dame reageert onverwacht praktisch op de hooggestemde woorden van haar minnaar, en zet de scène daardoor ineens in een ironisch licht: de minnaar is een beetje een hypochonder. Grappig is dat ze onmiddellijk daarna, vanaf regel 85, terugstapt in haar hoofse rol. Het is opvallend dat ze in regel 83 al verwijst naar wat de knecht zegt, voordat deze in r. 89–93 zelf sprekend wordt opgevoerd. De bewoordingen waarin de knecht zich verontschuldigt voor zijn onderbreking van het hoofse tête-à-tête zijn uitermate beleefd. 

Maar wat bedoelt hij precies als hij zegt dat het eten al bereid was “voor de hondjes kwamen?” 

Een “zonderlinge tijdsbepaling,” zegt Deleu, die misschien zijn oorsprong vindt in de “berekende dienstvaardigheid van de knecht”: “Wat zou ik niet op tijd gezorgd hebben, het eten staat al lang klaar, zelfs de honden hoefden niet te wachten.” Echt bevredigend is deze verklaring niet. Evenmin als die van Corrie de Haan en Johan Oosterman, die in 1996 gedicht 9 hebben vertaald: ze komen, in navolging van het Middelnederlands Woordenboek, met: “Als u niet snel komt, vindt u de hond in de pot.” In de uitgave van 2015 komt Herman Brinkman niet met een nieuw gezichtspunt. 

Maar als deze verklaringen niet bevredigend zijn, wat moeten we er dan van denken? Voor een antwoord op deze vraag wil ik om te beginnen de lezer vragen even aandacht te besteden aan de context waarin de scène van r. 75–94 zich afspeelt. Gruuthuse 9 speelt zich, zoals ik al vermeldde, af in een hoofs tuinlandschap. Onze gelieven zitten, zoals uit het opschrift boven de strofe van de minnaar blijkt, “aan het water”. Andere scènetjes spelen zich andere plekken af, die vaak niet of maar nauwelijks worden beschreven. Voorafgaand aan onze scène wordt ons een personage voorgeschoteld dat staat te spitten en zich ondertussen somber afvraagt of ergens nog een worteltje te vinden is van zijn verloren liefde; erna verschijnen, bij een prieel, een cnape met een zwaard en een kamermeisje – misschien wel bedienend personeel van ons liefdespaar bij het water; ze bedienen zich van zelfde strofevorm als de knecht in de voorafgaande scène. Verderop in de tekst betrapt een meisje haar beminde bij een flirt met een andere dame. Er zijn twee gelieven, geholpen door een dienstmeisje, bezig rozen te vlechten; twee andere gelieven wisselen hoofse complimenten uit over een mand kersen, enzovoort. En er wordt gegeten. De eerste scènes van gedicht 9 spelen zich af aan een tafel waar liefdesparen en hun entourage zitten te eten en te drinken. De knecht van 75–94  is kennelijk op pad gestuurd om de diverse liefdesparen er op attent te maken dat er kan worden gegeten. Hij komt evenwel niet om ons liefdespaar te waarschuwen dat het eten zo dadelijk zal worden opgediend. De maaltijd is al gaande. Onder deze omstandigheden is er, dunkt mij, eigenlijk maar één interpretatie mogelijk van de opmerking over de hondjes: het eten en drinken wordt vandaag niet opgediend”, zegt de knecht, nadát de gasten aan tafel zijn gegaan, het is al klaar gezet vóór de hondjes er waren, d.w.z. terwijl de gasten nog bezig waren zich te vermeien. De gasten als hondjes: een ondeugende formulering, die ongetwijfeld de aanleiding is waarom de knecht zich erna zo ostentatief uitput in beleefdheden. 

Na de strofe van de minnares, die eerst platpraktisch reageert op de hooggestemde woorden van haar geliefde, waarna ze schielijk weer in haar hoofse rol stapt, heeft ook uitnodiging van de knecht met zijn in beleefdheden verpakte brutaliteit, een sterke dramatische kracht. In de oudere literatuur is gedicht 9 nogal kritisch besproken. Verdam heeft lied 9 bestempeld als “een onbegrijpelijk gedicht, met zonderlinge opschriften boven de strophen”.  Te Winkel rangschikt het gedicht onder de dramatische poëzie maar weet weinig waardering op te brengen voor deze “vertooning,” zonder “eene eigenlijke dramatische handeling.”  En Van Mierlo meldt over 9 slechts dat er een stoet optreedt van personages, “wel verkleed naar het schijnt, in groepjes van twee meestal, ieder met enkele verzen, waarin zij met elkaar met elkaar of met de toeschouwers op zinnebeeldige wijze soms liefdedingetjes opzeggen.” De latere onderzoekers zijn veel positiever.  De ommekeer kwam met artikel van Deleu, die weliswaar herhaaldelijk de conventionaliteit aanstipt van wat de gelieven tegen elkaar zeggen, maar die ook op diverse plaatsen te kennen geeft dat hij oog heeft voor de charme van deze tekst. “Trefzeker,” noemt hij de beide eerste strofen. “Geslaagd,” de alleenspraak van de man met de spade. Even verder noemt hij de dichter van 9 iemand die een fijn gevoel had voor verschillende toonaarden. Gaandeweg zijn artikel lijkt zijn enthousiasme toe te nemen. N.a.v. de hier besproken passage merkt hij op dat een auteur “die in een paar regels zo de onderdanigste dienstvaardigheid, gepaard met een natuurlijke hoffelijkheid, in een vlotte, nergens haperende of holklinkende taal weet uit te drukken, meer aandacht [verdient] dan tot nog toe aan hem werd besteed”. Elders kwalificeert hij de dichter als “een vakman”. De conversatie tussen de rozenvlechters noemt hij “knap opgebouwd” . “Een dichter die zeker van talent getuigt.”Deleu vat zijn oordeel samen door op te merken dat hier “een interessant gedicht veel te lang vergeten werd.” 

Ik wil daar nog wel een schepje boven op doen. Naar mijn mening heeft Deleu gedicht 9 nog niet het volle pond gegeven waar het recht op heeft. Met teksten als de hier besproken passage is het gedicht – of het nu oorspronkelijk bedoeld is als schilderijgedicht, of als een of ander soort toneeltekst – een meesterwerkje, dat niet onderdoet voor de juweeltjes van de in hetzelfde handschrift opgenomen verzameling liederen. Onmiskenbaar het werkstuk van een dichter van het allerhoogste niveau.