Een feestdag voor de Nederlandse literatuur

Door Peter van Zonneveld

Van links naar rechts: Lotte Jensen, Marita Mathijsen, Rick Honings, Peter van Zonneveld

Gisteren verscheen Romantici en revolutionairen, een nieuwe literatuurgeschiedenis van de 18e en de 19e eeuw. De auteurs, Lotte Jensen en Rick Honings, richten zich hierin vooral op de verschillende schrijverstypen die de periode 1750 tot 1900 heeft voortgebracht. Het boek werd tijdens een feestelijke bijeenkomst gepresenteerd in het Amsterdamse Trippenhuis, de zetel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Marita Mathijsen en ik ontvingen het eerste exemplaar. Daar ging een sprankelende middag aan vooraf, met vijf korte, maar boeiende lezingen en toepasselijke muziek.

Uitgever Mai Spijkers van Prometheus noemde zijn twee auteurs ‘helden van de geest’. Marleen de Vries richtte zich op actuele discussies over seks-scenes in de literatuur, en demonstreerde dat men daar in de achttiende eeuw geen probleem mee had, aan de hand van verrassende voorbeelden. Zo had Betje Wolff het onbekommerd over ‘van datte’. Marita Mathijsen brak een lans voor de herwaardering van de Romantiek, en benadrukte dat ook ons land wel degelijk een Romantiek had gekend die aan de Tachtigers voorafging. Ze dacht daarbij aan Bilderdijk en vele anderen. Maarten Doorman filosofeerde over het autobiografische in teksten, van Ik Jan Cremer tot Tonio. Het muzikale intermezzo werd verzorgd door Eveline de Bruin, die gedichten van Gorter, Multatuli en anderen, door haar op muziek gezet, met een prachtige stem ten gehore bracht. Zij deed ook Nederlands in Leiden, studeerde af op Bilderdijk in ballingschap en heeft ook een tekst van hem in haar repertoire opgenomen.

Engelbewaarder

Nelleke Noordervliet, die een voorkeur uitsprak voor het schrijverstype à la Lord Byron, schetste een somber toekomstperspectief: hoe de rol van de schrijvers en de literatuur langzaam maar zeker teloor ging, net zoals de postzegelmarkt in Amsterdam roemloos ten onder was gegaan. Abdelkader Benali had dankzij dit nieuwe boek een tekst ontdekt, waarin een exotische visie op de Magreb werd weergegeven: De renegaat van Adriaan van der Hoop uit 1838, dat zich onder meer in Algiers afspeelt, en zag een verband met de schilderijen van Eugène Delacroix.

Tenslotte werd het eerste exemplaar uitgereikt aan Maria Mathijsen en aan mij, omdat Lotte Jensen en Rick Honings ons als hun leermeesters beschouwden. In het dankwoord namens ons beiden vertelde ik dat ik Marita in 1969, tijdens de roemruchte Maagdenhuistijd, precies vijftig jaar geleden dus, had leren kennen. We zijn op dezelfde dag afgestudeerd, 1 september 1975, zij bij Nederlands en ik bij literatuurwetenschap. We gaven toen samen een borrel bij het literaire café De Engelbewaarder (zij achterin, en ik voorin), op een steenworp afstand van het Trippenhuis.

Vertrouwen

In 1976 namen we het initiatief tot de oprichting van de Werkgroep Negentiende Eeuw (Nu: De Moderne Tijd), onder de paraplu van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde. We wilden vooral belangstelling wekken voor de periode die aan de Tachtigers voorafging. Daar hebben we ons al die jaren voor ingezet. En nu? Lotte Jensen, studente van Marita, heeft een ander gezicht van de negentiende eeuw laten zien, met haar aandacht voor het verzet tegen Napoleon in de poëzie, en haar onderzoek naar rampen in die periode, met de weerslag daarvan in de literatuur. Ik heb haar bij allerlei gelegenheden leren kennen als een voortreffelijke spreker, die steeds bij elk publiek de juiste toon weet te treffen. Toen zij vorig jaar in Nijmegen haar oratie als hoogleraar hield, heeft Marita aan het diner verteld, hoe blij wij waren met de rol die zij en Rick nu vervulden.

Rick Honings ken ik sinds het begin van zijn studie in Leiden. Hij begon met het stellen van lastige vragen. Kort daarna raakten we bevriend. Zijn bachelorscriptie, een editie van een reisverhaal van HaverSchmidt, werd meteen een boek dat nationaal de aandacht trok. Zijn masterscriptie werd ook al een boek: de catalogus van de Bilderdijktentoonstelling in Leiden, ter gelegenheid van diens 250e geboortedag. Met veel plezier heb ik als copromotor zijn dissertatie begeleid. Onze samenwerking leidde onder meer tot de Bilderdijk-biografie De gefnuikte arend, waar we op allerlei plaatsen aan gewerkt hebben: van de Faculty Club in Leiden tot een terras in Goethes Weimar. Sindsdien verschijnt er elk jaar wel een boek van hem, waarin ook hij nieuwe benaderingswijzen demonstreert. Ik ben al zes jaar met pensioen, maar ik moet al die teksten van hem steeds lezen. Hij schrijft zoveel dat ik er bijna een dagtaak aan heb. Net als Lotte heeft hij zich ontwikkeld tot een spreker die zijn publiek altijd weet te boeien.

Deze middag met die inspirerende toespraken en de verschijning van dit ook voor een groter publiek toegankelijke boek, bewijst dat de neerlandistiek helemaal niet op sterven ligt, integendeel. Dankzij mensen als Lotte Jensen en Rick Honings kunnen we, al die doemscenario’s ten spijt, de toekomst volgens mij met enig vertrouwen tegemoet zien.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter