Een beetje prettig

Door Marc van Oostendorp

Het begon met een enquête over de kwaliteit van de zorg. Linda Duits kreeg hem opgestuurd, en hij bleek de volgende vraag te bevatten:

Maar, dacht Linda terecht, dat ‘een beetje prettig’ klinkt toch heel raar? En toen haalde ze mij erbij op Twitter, en was ik weer een uurtje zoet.

Want ‘de wachtkamer was een beetje prettig’ klinkt inderdaad een beetje raar, maar hoe zou dat nu komen? ‘De wachtkamer was tamelijk prettig’ klinkt bijvoorbeeld in mijn oren helemaal niet zo vreemd, terwijl dat dezelfde betekenis heeft.

Na een beetje prutsen – je vervangt eens het ene woord door het andere – kwam ik erachter dat het iets te maken heeft met het feit dat prettig een positief bijvoeglijk naamwoord is. Andere positieve bijvoeglijk naamwoorden zijn ook betrekkelijk lastig te combineren met een beetje:

  • een beetje vies klinkt beter dan een een beetje lekker
  • een beetje naar klinkt beter dan een beetje fijn
  • een beetje slecht klinkt beter dan een beetje goed
  • een beetje passief klinkt beter dan een beetje actief

Dat is in die zin opvallend dat Karen De Clerq en Guido Vanden Wyngaerd vorig jaar juist vaststelden dat weinig juist een voorkeur heeft voor positieve bijvoeglijk naamwoorden: ‘hij is weinig actief’ klinkt veel beter dan ‘hij is weinig passief’.

Veel verder dan dat kwam ik niet, dus schakelde ik mijn netwerk van deskundigen in, en aangezien taalkundigen tegenwoordig allemaal 24 uur per dag online zijn, kreeg ik meteen antwoord. En aangezien zij hun oren en ogen open hebben, bleek er zowaar al over deze kwestie geschreven.

Vanden Wyngaerd stuurde een link naar een artikel dat hij een paar jaar geleden met twee collega’s schreef waarin van alles en nog wat over een beetje wordt onthuld (deels gebaseerd op eerdere observaties van Hans Broekhuis en Rick Nouwen). Ook zij gaan ervan uit dat een beetje vooral goed gaat bij negatieve bijvoeglijk naamwoorden (al geven ze nog een hele lijst met andere soorten voorbeelden waarbij het criterium postief-negatief niet per se van toepassing is: je kunt bijvoorbeeld wel zeggen ‘de deur is een beetje open’, maar niet zo gemakkelijk ‘de deur is een beetje dicht’).

Ze wijzen er bovendien op dat in sommige contexten het omgekeerde gebeurt. Normaliter zeg je:

  • Jan is een beetje onaardig

en niet zo snel:

  • Jan is een beetje aardig.

Dat klopt dus met de bevindingen van Linda Duits en van mij. Alleen, zeggen Vanden Wyngaerd en zijn collega’s, verandert er iets als je van die stellende zin bijvoorbeeld een vraag maakt. Dan krijgen de positieve bijvoeglijk naamwoorden juist ineens de voorkeur.

  • Is Jan een beetje aardig?

klinkt juist beter dan

  • Is Jan een beetje onaardig?

Wanneer je aan de zin maar toevoegt en klemtoon legt op beetje kan aardig ook ineens goed:

  • Jan is maar een béétje aardig.

De constructie met ‘een beetje’ is zelf overigens ‘positief polair’ zoals dat met een fraai woord heet in de grammaticale analyse: hij kan er niet goed tegen als elders in de zin een ontkenning staat: ‘Jan is niet een beetje onaardig’ is weer vreemd; tenzij je dan weer klemtoon legt op beetje (‘Jan is niet een béétje onaardig, maar heel onaardig’).

Hoe dat nu allemaal kan, dat we daar zulke subtiele oordelen over hebben, is vooralsnog een raadsel.