De verantwoordelijkheid van intellectuelen en de professionalisering van de wetenschap

Door Marc van Oostendorp

“Het is de verantwoordelijkheid van intellectuelen om de waarheid te spreken en leugens aan het licht te brengen.” Dat is een van de bekendste zinnen uit het essay The responsibility of intellectuals waarmee Noam Chomsky in 1967 behalve beroemd in taalkundige kringen ook écht wereldberoemd werd.

Het essay is gratis te lezen op de website die aan Chomsky gewijd is; onlangs verscheen een boek dat ook al gratis (‘open access’) te lezen is bij de uitgever, UCL Press (hulde!)

Chomsky’s essay was in eerste instantie een aanval op de vele Amerikaanse intellectuelen die zich op de een of andere manier lieten gebruiken om de oorlog in Vietnam goed te praten of zelfs om die oorlog te helpen voeren. Maar de meeste van die lui zijn inmiddels dood of hoogbejaard en het zou geheel tegen de geest van het essay zijn om het nu nog over hen te hebben. Want de boodschap zou ons nu nog moeten aanspreken, zoals de essays in het boek (en Chomsky’s uitgebreide antwoorden op die essays) laten zien.

Potentieel schadelijk

Een belangrijk aspect van Chomsky’s betoog is hoe hij het op zich problematische woord intellectueel definieert: in termen van privilege. Hij doet dat bovendien op een heel andere manier dan nu soms gebeurt (waar het een kwestie is van huidskleur en gender), maar in termen van ‘politieke vrijheid, toegang tot informatie en vrijheid van expressie’ en daarnaast vooral in economische termen:

Voor een bevoorrechte minderheid biedt de westerse democratie de vrije tijd, de faciliteiten, en de opleiding om de waarheid te zoeken die verborgen licht achter het sluier van misvorming en verkeerde voorstelling van zaken, ideologie en klassebelangen, waarin recente gebeurtenissen ons worden gepresenteerd. De verantwoordelijkheden van intellectuelen zijn dus veel groter dan wat [Dwight] Macdonald de ‘verantwoordelijkheid van mensen’ noemt, gezien de unieke privileges die intellectuelen genieten.

Belangrijk lijkt me hierin dat een veel grotere groep mensen op hun verantwoordelijkheid wordt gewezen, inclusief allerlei mensen die menen dat zij geen verantwoordelijkheid hebben omdat anderen zoveel ‘geprivilegieerder’ zijn dan zij.

Vingers

Een intellectueel is iedereen die de mogelijkheden heeft, in termen van vrijheid, van denkkracht en van toegang tot informatie. En ieder van die intellectuelen heeft de verantwoordelijkheid die Chomsky ‘vanzelfsprekend’ noemt: de waarheid spreken en onwaarheid aan het licht brengen. Ook, of juist, als die waarheden ongemakkelijk zijn voor de macht, en dus bijvoorbeeld potentieel schadelijk zijn voor de eigen loopbaan.

Ik denk dat zo’n beetje alle lezers van Neerlandistiek daarbij horen, in ieder geval zover ze in Europa of Amerika wonen. En zeker mensen die, zoals ik, aan een universiteit werken. We leven in landen waar je nog steeds kunt zeggen wat je wilt, we hebben een goed salaris, de wereld ligt via het internet aan onze vingers, en we hebben de tijd.

Waarom zijn er dan maar zo weinig intellectuelen op de universiteiten die hun verantwoordelijkheid nemen?

Gesnoerd

Een van de grote problemen ligt in de professionalisering van de wetenschapper. Die heeft voor zichzelf een groot aantal normen bedacht waar hij zogenaamd aan moet voldoen. Omdat de kwantiteit van die normen almaar groter is geworden – je moet publiceren én aanvragen schrijven én college geven én vergaderen én al snel leiding geven – kom je nauwelijks meer aan andere zaken toe.

Dat is een ingewikkelde eigenschap van het systeem. Hij is ongetwijfeld voor een deel van buiten, door de politiek, opgelegd, maar het verbijsterende is dat een groot aantal van die normen helemaal niet zou bestaan als de universiteiten zelf zouden besluiten ermee op te houden. Er is dus ook een interne druk, die onder andere gevoed wordt doordat men aan buitenlandse universiteiten ook zulke krankzinnige normen van professionalisering erop nahoudt.

Maar het belangrijkste is dat op deze mensen de mond gesnoerd wordt.

Nadenken

Het geldt misschien nog wel meer voor de jongere generaties die veel minder carrièreveiligheid hebben. Bij de vergadering van WO in Actie van afgelopen woensdag werd besproken dat sommige acties misschien op een andere manier gevoerd moesten worden door zulke kwetsbare groepen omdat het hen misschien in de problemen kunnen brengen. Wij die deze problemen niet hebben moeten er doen om ervoor te zorgen dat universiteiten wat betere werkgevers worden; maar hopelijk zijn er ook nog jonge academici die zich niet door deze problemen laten leiden. Het gaat er in het leven misschien niet om om ‘academicus’ te zijn als dat geen manier meer kan zijn om hogere doelen te bereiken. Zoals een van de auteurs in de essaybundel schrijft:

Meer dan ooit staat de waarheid zeggen op gespannen voet met carrièremogelijkheden, en de meeste ‘intellectuelen’ geven veel meer om hun carrière dan om de waarheid

Bovendien betekent die professionalisering ook dat de gemiddelde academicus zich nog minder buiten het eigen terrein van expertise durft te begeven. Een belangrijk punt van Chomsky’s betoog was nu juist dat waar het ging over belangrijke politieke discussies helemaal geen uitgebreide expertise nodig is. Het essay is deels zelfs te lezen als een aanval op de sociale wetenschappers die pretenderen dat de democratie eigenlijk een zaak is voor experts. Het gaat er niet om dat je als intellectueel nu zo veel meer weet dan anderen, maar dat je de mogelijkheid hebt om je goed te informeren en daar redelijk over na te denken.

Pleit

In dit verband is de observatie van een van de artikelen in de nieuwe bundel interessant: tegenover de terugname van het aantal publieke intellectuelen staat een stijgend aantal academici die zich in het publieke domein begeven om ‘hun eigen onderwerp of zelfs alleen hun eigen werk’ te populariseren.

Het is iets wat ik mij, als ik even persoonlijk mag worden, wel aantrek. Ben ik niet te veel bezig met de Neerlandistiek, hoe belangrijk die op zich naar mijn overtuiging ook is, ook voor de wereld, en te weinig met de problemen van deze, van onze, van mijn tijd? Is het eigenlijk wel verantwoord om in een tijd waarin de wereld bijna letterlijk in brand staat je nog bezig houden met nieuwe zinsconstructies en Vondel?

Geeft in het algemeen de professionering van de wetenschap ons niet te veel smoezen in handen om niet met de wereld bezig te zijn? Er móét nog zoveel dat zogenaamd bij ons beroep hoort en dat ervoor zorgt dat we niet met de belangrijke kwesties bezig kunnen zijn? Als ik door alle administratieve last al niet meer toekom aan mijn onderzoek en dat onderzoek is een kerntaak, wat moet ik dan nog stukken in de krant schrijven? En moet ik sowieso me niet alleen bemoeien met de kwesties waar ik deskundig in ben? En kan ik me wel permitteren om al te ver buiten de mainstream te gaan staan als mijn carriẻre anders in gevaar komt?

Dat een ruim vijftig jaar oud essay zulke vragen kan oproepen, dat pleit natuurlijk alleen maar voor dat essay, en voor de schrijver ervan.