Wat betekent ‘een goed scrabblewoord’?

Door Marc van Oostendorp

De algemene opwinding over de vraag of eikenprocessierupsjeukpiek nu wel of niet een goed scrabblewoord is, is al weer een tijdje voorbij. Het ging op Teletekst een paar weken geleden ineens over dat woord, iemand tweette toen over Scrabble, maar andere mensen werden daar weer boos over omdat eikenprocessierupsjeukpiek niet eens gelegd kan worden op een standaardscrabblebord (goed scrabblewoord!): het is te lang.

De taalkundige Marten van der Meulen schreef er een stukje over, waarin hij met een originele oplossing kwam: mensen die zeggen dat eikenprocessierupsjeukpiek een goed scrabblewoord is hebben gewoon een andere definitie van ‘goed scrabblewoord’ dan de mensen die daar boos over woorden, namelijk: ‘een samenstelling met veel delen’. Hij noemde dat een ‘folk definition’: een die niet per se juist is volgens de vakmensen maar wel de perceptie van taalgebruikers over taal weerspiegelt. Hoe dat dan zit, waarom er twee dialecten van het Nederlands zijn die niet van elkaar verschillen maar wel ieder hun eigen definitie hebben van ‘een goed scrabblewoord’, legt hij helaas niet uit.

De zon gaat onder

Ik denk dat het ook niet helemaal klopt, en dat iemand die zegt dat dit-of-dat zo’n goed scrabblewoord is, wel degelijk denkt aan een spelbord en houten steentjes. De uitdrukking lijkt me altijd grappend gebruikt en alleen al in die zin is het geen neutraal synoniem voor ‘een samenstelling met veel delen’. Hooguit staat zo iemand er bij het spreken niet bij stil, of vindt hij het minder belangrijk, dat een scrabblebord eindig is en 15×15 vakjes telt.

Ik denk dan ook niet dat er hier sprake is van verschillende definities, of dat als we maar de juiste definities vinden, zal blijken dat iedereen op Twitter volkomen rationele uitspraken doet. Dat lijkt me namelokk niet het geval: juist in folk science zitten soms gedachten die niet helemaal logisch zijn.

Een voorbeeld uit een andere wetenschap: ‘de zon gaat onder’. Zo’n zin verwijst naar een precopernicaans wereldbeeld. Als iemand zoiets op Twitter zet, kan hij misschien reacties verwachten van mensen die beweren dat hij onjuist is omdat de zon niet om de aarde draait. Dan komt de natuurkundige tegenhanger van Marten van der Meulen, en die zegt; ho, maar deze zin heeft voor deze taalgebruiker alleen de definitie ‘de dag loopt ten einde’.

Ophangen

Aan het uitspreken van zo’n zin ligt op zijn minst de ervaring ten grondslag dat de zon inderdaad langzaam naar beneden zakt en ten slotte verdwijnt. Zoals ook niet iedereen het aantal letters van eikenprocessierupsjeukpiek zal hebben geteld, of zich herinnert hoe lang de rijen en kolommen zijn bij scrabble. De uitdrukking betekent geloof ik wel degelijk ‘een goed woord op om het scrabblebord’ te leggen, maar dan zonder precies te hebben uitgerekend of dat strikt genomen klopt, en zonder dat ook belangrijk te vinden.

Nog een voorbeeld is: de telefoon ophangen, een vorm van folk technology. Toen ik kind was in de jaren 70 had je nauwelijks telefoons meer met een haak waaraan je de hoorn hing, maar je legde die hoorn neer op het grijze toestel. Toch werd die uitdrukking nog wel gebruikt, omdat de herinnering aan dat ophangen nog wel bestond. Nu die herinnering vrijwel verdwenen is uit het collectieve onderbewustzijn en er steeds minder telefoons zijn zonder hoorn, verdwijnt ook die uitdrukking. Hij steunt niet meer op enig gevoel.

Dat staat niet in de weg dat uitdrukkingen soms ook echt kunnen verbleken en behalve een enkele etymoloog niemand meer weet waar hij oorspronkelijk naar verwees. Het lijkt mij echter dat er allerlei tussenstadia kunnen zijn, en dat een woord niet zo gemakkelijk van de ene naar een andere betekenis flipt. Ik zou Van der Meulens definitie niet in het woordenboek opnemen, zelfs niet met het label ‘schertsend’.

Astrofysici

In Linguistics & Philosophy staat toevallig een interessant artikel van Christopher Tancredo en Yael Sharvit over een gerelateerd verschijnsel. Je kunt de volgende zin best zeggen, ook al is 26 volgens de meest gangbare wiskunde niet priem (het is deelbaar door 2 en door 13) en ook al weet je als spreker zelf ook wel hoe die meest gangbare wiskunde in elkaar zit:

  • Jan gelooft dat 26 priem is.

De voorwaarde is dat Jan leeft in een wereld waarin hij denkt dat 26 wel degelijk priem is, bijvoorbeeld omdat hij op de een of andere manier meent dat priemgetallen getallen zijn van de vorm x3-1. Dat gaat mogelijk verder, zou ik zeggen, dan dat priem voor Jan een afwijkende definitie heeft (die gedachte lijken Tancredo en Sharvit met Van der Meulen te delen), het kan een kwestie zijn van een ander wereldbeeld. Jan kan bijvoorbeeld een heel slechte rekenaar zijn, en mij lijkt dat een heel slechte rekenaar niet per se andere, en steeds wisselende, definities van wiskundige begrippen heeft.

Tancredo en Sharvit laten dus zien dat je rationeel kunt praten over beweringen van anderen zonder dat je daarbij hoeft aan te nemen dat die anderen zelf rationeel denken. Dat is maar goed ook, want het voorbeeld van de ondergaande zon, dat vast ook in het dagelijks leven gebruikt wordt door astrofysici, laat zien dat dit niet per se zo is.