Puntkomma

Door Marc van Oostendorp

De puntkomma is een weinig populair leesteken. Hij heeft zelfs tegenstanders, mensen die vinden dat de gebruikers van de puntkomma overdreven aanstellers zijn, schrijvers die niet precies weten wat de relatie tussen twee zinnen is die ze achter elkaar zetten en daarom de lezer maar het bos in sturen met een punt boven een komma.

Geef ons maar een gedachtestreepje!

De Amerikaanse wetenschapshistorica Cecelia Watson schreef een onderhoudend boek over dit versmade leesteken. Het bestaat uit drie ongelijke delen over verleden, heden en toekomst.

Het deel over het verleden geeft een aardig overzicht van de geschiedenis van de puntkomma. Die begint met de humanisten in de Renaissance die een muzikaal idee hadden over punten en komma’s: ze gaven een ritme aan de tekst. Vervolgens valt de interpunctie in de negentiende eeuw, in ieder geval in Amerika, in handen van de taaladviesboeken (ik schreef eerder deze week over een recent Nederlands voorbeeld).

Ritme

Een van de interessante zaken die Watson daarover opmerkt is dat die grammatici ernaar streefden om van hun vak een natuurwetenschap te maken, bijvoorbeeld om er voor te zorgen dat er minder vragen van ouders zouden komen over waarom hun kinderen zoiets moesten leren. Een gevolg van die verwetenschappelijking was dat men streefde naar eenduidige regels; er waren grammatici die beweerden dat de regels over de juiste interpunctie net zo helder waren als de wiskunde. Omdat dit natuurlijk in de praktijk niet vol te houden is (taalregels zijn een rommeltje, zeker als ze over iets subjectiefs gaan als interpunctie), werd eigenlijk door al deze verwetenschappelijking de onduidelijkheid alleen maar groter.

Watson is geen taalkundige – de mensensoort die altijd wordt verweten dat ze niet willen opkomen voor de prachtige regels van onze taal – maar ze beschrijft hoe ze door haar historische onderzoek zelf steeds sceptischer is geworden over die regels – ze heeft gezien hoe willekeurig ze zijn, en hoe ze er uiteindelijk toch ook steeds naastgrijpen.

Het hoofdstuk over het ‘heden’ is minstens even interessant. Watson doet het enige dat je kunt doen als je wilt begrijpen hoe je taal beter kunt begrijpen, iets dat desalniettemin maar weinig gebeurt: ze gaat te rade bij de beste stilisten om te zien wat zij met de puntkomma hebben gedaan. Hoe gebruikten uiteenlopende schrijvers als Raymond Chandler of Herman Melville dit leesteken om ritme of structuur te geven aan hun verhalen?

Waarderen

Mij lijkt dat de juiste manier. Het is zinloos om de verzonnen regels van zelfbenoemde grammatici te volgen als je ook rechtstreeks kunt putten uit de rijkdom van taalgevoelige schrijvers. Het zou wat dit betreft mooi zijn als er een bewerking van Watsons boek voor het Nederlands zou kunnen komen, met voorbeelden van Nederlandse schrijvers. De Groningse hoogleraar moderne Nederlandse letterkunde wees me op een essay over de puntkomma bij Hagar Peeters. Het begin is er dus!

Het allerlaatste deel – over de toekomst – is dan weer een beetje flauw. Watson vindt het hier nodig een soort taalkundige correctheid te bedrijven. Ze wijst er terecht op dat mensen, zoals de Amerikaanse schrijver David Foster Wallace, die, hoe goed bedoeld ook, minderheden aan de standaardtaal willen helpen, uiteindelijk helpen om machtsstructuren in stand te houden. Laten we meer verschillende taalvariëteiten waarderen! Nu ja, inderdaad, wie zal daar tegen zijn… maar het is niet helemaal duidelijk wat dit betekent voor de toekomst van de puntkomma. Hoe dan hoek kunnen we hopen dat boeken als dit ook de puntkomma nog even in leven houden.

Cecelia Watson. Semicolon. The Past, Present and Future of a Misunderstood Mark.