Maar gij verwacht toch niet, dat de domste kerel alle vraagstukken onderzoeken zal?

De Multatulileescursus (47)

Door Marc van Oostendorp

Mimi Hamminck-Schepel

– We zouden het, nu we bij deel 15 zijn aanbeland, toch ook eens over die Volledige Werken kunnen hebben. Wat een clubblad was dat toch!

– Een clubblad?

– Ja, dat wonderlijke in memoriam van Henri A. Ett (1908-1982) waarmee het besluit, heb je dat gelezen?

– Ik wist niet dat het ook tot de stof behoorde.

– Garmt Stuiveling (‘voorzitter Multatuli-Genootschap’) en toevallig ook hoofdredacteur van de Werken, neemt de vrijheid om een overleden medewerker te herdenken, en dat in een stijve stijl vol ‘frasen’ waar Multatuli wel raad mee had geweten:

Ofschoon hij zich de laatste tijd, teruggekeerd naar de geliefde stad van zijn jeugd, aan de meeste werkzaamheden onttrok, is zijn dood een gevoelig verlies. Zijn nagedachtenis zal in onze kring in ere worden gehouden.

– ‘Onze kring’! Die van de Multatulianen!

– Mensen, mag ik eraan herinneren dat we ook nog tientallen brieven hebben gelezen van en aan Multatuli? Uit het voorjaar van 1873?

– Ja, ik ontdekte hier toch wel weer wat verrassende kantjes aan Multatuli. Zijn argumenten tegen het Rode Kruis, bijvoorbeeld:

Dat roode kruis is nonsense. Oorlog is oorlog. daarbij komt geen menschlievendheid te pas. Verbeelje dat er veel porselein hier in de kamer is en dat twee menschen er plezier in hebben dat kapot te smijten. Zou ’t je dan in je hersens komen te denken dat je een nuttig werk deed door de stukjes weer optezoeken en aan elkaar te gaan lijmen? neen immers? – ’t Gekste van al is nog als de vorsten zich zelf met dat roode kruis bemoeien. Om bij die vergelijking te blijven dat is alsof jij en ik hier alles zelf kort en klein werpen en dan medailles uitlooven aan wie z’n best doet om ’t weer aan elkaar te plakken.

– Dat stukje komt overigens niet uit het geschreven werk van Multatuli, maar is een dagboekaantekening van Mimi.

– Waarin ze Douwes Dekker citeert.

– Zeker, het zijn zijn gedachten, maar de levendigheid van stijl is die van haar.

– Sowieso zijn die dagboekaantekeningen een genot om te lezen. Jammer dat ze zich zo aan haar man heeft opgeofferd dat haar eigen schrijfcarrière niet van de grond is gekomen.

– Ja, ze komt ook echt menselijk naar voren. Goudeerlijk, bijvoorbeeld hoe ze worstelt met het door haar vriend verplicht gestelde atheïsme:

Toen ik zoo ongerust was – o, ik schaamde mij zoo om het aan D. te vertellen, maar waar is het, voelde ik telkens aandrang om te bidden. O ’t valt me ook moeilijk dit te schrijven. ik weet toch dat bidden krankzinnigheid is. Van gelooven is geen kwestie ik ben overtuigd van de nonsensiteit. Als ik dien aandrang voelde was mijn eerst volgende gedachte z’n Idee zooveel: het ligt in de natuur der menschen terug te keeren tot autocratie.

– En ondertussen begint Mimi ook te schrijven voor publicatie, maar dat wordt door diezelfde vriend nu niet echt aangemoedigd:

Gister zeide hij: ik kan ’t niet helpen als je niet begrijpt hoe dat mogelijk is, ik kan ’t ook niet verklaren maar ’t is een feit. Ik was vol van mijn werk, ik had wel vier bundels in mijn hoofd en toen kwam jij met je prullewerk…

– Onbegrijpelijk dat er wel een vie romancée is verschenen van die brave, saaie Tine, maar niet van Mimi! Dát zou pas een mooi boek kunnen opleveren.

– Eigenlijk getuigen in deze periode alle andere schrijvers van grote menselijkheid. De uitgever Funke, die af en toe volkomen ten onrechte de wind van voren krijgt van zijn auteur omdat hij ook eens wat durft te zeggen, en toch trouw meer voorschot blijft betalen dan vantevoren was afgesproken. En dan Multatuli’s belangrijkste correspondentiepartner, Roorda, die het in veel dingen met hem eens is, maar hem ook durft tegen te spreken als hij vindt dat Multatuli te veel eist van zijn medemensen.

Gij noemt het felonie, als de denkridder Mensch in eenige duisterheid berust. Maar gij verwacht toch niet, dat de domste kerel alle vraagstukken onderzoeken zal. Gijzelf spreekt van een bakker, die over onsterfelijkheid traktaatjes schreef, in plaats van goed brood te bakken. En zijn er niet tallooze trappen van scherpzinnigheid tusschen u en dien domste?

– Ook Douwes Dekker zelf laat zich een paar keer van een fraaie kant zien, bijvoorbeeld waar hij reageert op een criticus die laat zien dat Multatuli lang niet altijd zo goed schrijft en dan deze inderdaad foeilelijke zin aanwijst in de inleiding bij De bruid daarboven:

Er kan nut liggen in de aantooning dat de onwaarde van zoo’n product niet wordt veroorzaakt door het aantal fouten, noch ook door het belangrijke daarvan.

– Dat is inderdaad van een welhaast Stuiveling-achtige lelijkheid.

– Multatuli gaat dan niet zitten mokken, maar geeft ruiterlijk toe:

Uw executie van ‘mooischryvery’ is heerlyk. (Ja, juist, de aangehaalde zinsnede is slordig, incorrect!) by herdruk zal ik ’t zeggen.

– En aan Roorda schrijft hij over hetzelfde:

Zelfs met die (gegronde) aanmerking op ’n slordigheid in uitdrukking heeft-i ’n doel. Jammer dat ‘men’ niet lezen kan. Daar staat: ‘ge ziet wel dat ik wel in-staat ben ook berstjes te ontdekken!’ Het voorbygaan dus van die berstjes in V.S. heeft ’n beteekenis, en ’t verhoogt de waarde der methode die hy wél toepast. Daar ligt groote bekwaamheid in zulke kleinigheden.-

– Ja, ik denk dat Multatuli op recht best meer kritiek had willen krijgen. Hij wilde discussie, hij wilde gelezen worden. En dan echt gelezen.

– Volgende week gaan we verder met deze brieven! Deel 16!