Leestekens: een kwestie van smaak

Door Marc van Oostendorp

Leestekens vormen een interessant onderwerp van potentieel onderzoek. Ze maken enerzijds onderdeel uit van de geschreven taal en geschreven taal schreeuwt altijd om standaardisering. Maar hoewel we in het Nederlands absurd gedetailleerde regels hebben over dat andere aspect dat uniek is voor de geschreven taal – de spelling – is het gebruik van leestekens niet officieel geregeld en ook anderszins nauwelijks gecodificeerd. Bij de meeste dictees let men niet op de leestekens.

Dat geldt overigens net zozeer voor andere talen. Interpunctie heeft iets te maken met hoe een tekst geacht wordt te klinken: wat voor pauzes je legt, hoe en waar je afbreekt, welke klém-tó-nén je legt. Interpunctie hoort in die zin eerder bij de stijl, en ook de strengste schoolmeesters deinzen vaak terug voor al te harde stijlregels.

Veel aspecten van de interpunctie kan iedereen voor zichzelf bepalen. Toch zijn er in de loop van de tijd allerlei conventies ontstaan. Het is bijvoorbeeld in het Nederlands niet ‘fout’ om voor ieder leesteken een spatie te plaatsen , zoals in sommige andere talen wel gebeurt , maar het is simpelweg niet de manier waarop ‘we’ het doen . Het ziet er raar uit .

Stijlfout

Als enkele decennia geleden beschreef Peter van der Horst allerlei van die conventies in zijn Leestekenwijzer, dat toen verscheen bij de Sdu. Omdat die uitgever al geruime tijd niet meer aan taalboeken doet, heeft Van der Horst voor een Nieuwe leestekenwijzer onderdak gevonden bij de Antwerpse uitgever Maklu.

Nu kun je mij niet blijer maken dan met een boek van 388 pagina’s waarvan hoofdstuk 13 ‘Schuine streep’ heet. Zolang dit soort boeken nog uitgegeven worden leven we in een rijke beschaving.

Het boek is vooral bedoeld voor mensen die ergens een leesteken moeten of willen plaatsen, en om raad verlegen zitten over hoe ze dat moeten doen. Gegeven het feit dat er niets ‘officieel’ geregeld is, moet je dan je toevlucht nemen tot spontaan gegroeide conventies, zoals die over de relatieve volgorde van leesteken en spatie. Maar voor heel veel kwesties bestaan ook dat soort conventies niet, simpelweg omdat ze zelden voorkomen. In dat geval neemt Van der Horst soms een vrij arbitraire beslissing:

Na een vet gezet woord is de punt niet vet:

– We noemen deze stijlfout pleonasme.

Als de hele zin vet is, komt er een vette punt:

We noemen deze stijlfout pleonasme.

Ik snap de redenering wel – de punt hoort niet bij het woord pleonasme, maar wel bij de zin, en past zich aan de meerderheid van de voorafgaande zin aan. Maar áls ik er al iets van vind, dan is het dat een niet-vette punt na een vet woord er altijd wat iel uitziet.

Persoonlijk

Een probleem is natuurlijk ook dat je om de leestekens écht goed te plaatsen, een heel goed inzicht moet hebben in de opbouw van je tekst. Neem het verschil tussen punten, komma’s en puntkomma’s. Het verschil is er vooral een in toon:

  • We stonden op. We togen aan het werk. We gingen weer naar bed.
  • We stonden op, we togen aan het werk, we gingen weer naar bed.
  • We stonden op; we togen aan het werk; we gingen weer naar bed.

Een vraag die zich hierbij voordoet is dan: wat is precies een zin? Van der Horst is hier betrekkelijk streng in; hij vindt een zin pas een zin als het een hoofdzin is, met een persoonsvorm op de tweede plaats. Een constructie als de volgende noemt hij ‘niet fraai’, omdat het stuk dat met ‘zodat’ begint volgens deze definitie geen zin is:

  • Om te voorkomen dat de acrylverf te snel droogt, kun je een vertragende gel toevoegen. Zodat je wat meer ontspannen kunt werken.

Op de plaats van de (eerste) punt moet hier een komma staan, zegt Van der Horst, of de tweede zin moet worden omgeschreven tot ‘Zo kun je wat meer ontspannen werken.’ Dat lijkt me echt een kwestie van smaak: ik heb geen enkel probleem met die ‘zodat’-zin als zin en zoals Van der Horst zelf schrijft komt die vorm ook vaak voor. Er zijn in de beste teksten van de beste schrijvers talloze voorbeelden te vinden van deze praktijk. De gronden om hem af te keuren lijken mij dus persoonlijk.

Bedrogen

Ik neem aan dat dit soort arbitraire beslissingen worden ingegeven door de wens dat zo’n leestekenwijzer ‘praktisch’ moet zijn. De lezer zit met een vraag en wil in een boek een antwoord vinden op die vraag, en niet de informatie dat er geen antwoord op bestaat, omdat iedereen doet wat hij zelf wil, of alleen een heel ingewikkeld antwoord, of een antwoord dat nauwelijks toepasbaar is (luister naar je innerlijk oor om te horen hoe groot de pauze is die je wil leggen).

De Nieuwe leestekenwijzer geeft hiervoor heel veel stof tot nadenken en voor wie dat zoekt zeer gedetailleerd advies over allerlei kwesties. Maar wie wil weten waarom je iets op een bepaalde manier zou doen, komt bedrogen uit. Dat vind ik jammer: hoeveel waardering je ook kunt hebben voor de enorme omvang van dit werk, en de heel heldere manier waarop tal van kwesties worden uitgelegd; hoe blij je ook kunt zijn met ieder boek dat een heel hoofdstuk wijdt aan de schuine streep; hoe behulpzaam deze gids ook iedereen zal zijn die wil dat iemand anders een knoop doorhakt, lijkt me dit toch wel een vereiste voor dit soort gidsen: dat de auteur heel precies aangeeft waarop een advies eigenlijk is gebaseerd. Op stijlgevoel en persoonlijke smaak.

Peter van der Horst. Nieuwe leestekenwijzer. Handboek voor het gebruik van leestekens en andere tekens. Antwerpen: Maklu, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.