Een Godt, ô Melibé, verleende ons deze rust. Vondel over vluchtelingen

Door Ton Harmsen

Hoe veilig je als Romein ook was, je kon wel van je land verdreven worden. Het overkwam boeren en herders in 42 voor Chr., toen Octavianus (de latere keizer Augustus) na de slag bij Philippi zijn legers moest afdanken. Om de veteranen te vriend en bij de hand te houden gaf hij hen land in de Povlakte, waarvoor honderden grote en kleine boeren hun bezit moesten verlaten. Het is een zwarte bladzijde in de biografie van de keizer.
De reactie van Vergilius op deze kwestie, in zijn eerste herdersdicht (ecloga of bucolicum), is gecompliceerd door zijn eigen situatie. Ook hij is van zijn land, in de buurt van Mantua, verdreven. Hij wist dus wat het was, slachtoffer te zijn van de confiscatie.

De hardhandig onteigende boeren waren machteloos, maar Vergilius zag in zijn faam als beginnende dichter een mogelijkheid om zich te redden. Hij reisde naar Rome om zijn zaak te bepleiten bij zijn mecenas Maecenas, en door diens interventie slaagde hij erin zijn grondgebied met speciale toestemming van Octavianus te behouden. Dankbaarheid (voor zijn eigen situatie) en verontwaardiging (over het onrecht dat zijn streekgenoten werd aangedaan) zijn het onderwerp van zijn eerste ecloga, een dialoog tussen twee herders. Tityrus heeft in Rome toestemming gekregen zijn vee en zijn land te behouden; Meliboeus is met alle anderen verbannen.

Drie versies van Vondel

Om zich de stijl van Vergilius eigen te maken vertaalde Vondel diens complete werken, Eclogae, Georgica en Aeneis, in proza (1646). Hoewel die vertaling alleen voor zijn eigen instructie bedoeld was, net als andere vertalingen – Ovidius’ heldinnenbrieven en Tasso’s christelijke epos – publiceerde hij hem om Frederik Hendrik op zijn plichten te wijzen. Toen de Tachtigjarige Oorlog een jaar later ten einde liep schreef hij zijn landspel Leeuwendalers; daar vond hij het gepast om Vergilius’ eerste Ecloga, immers een mengeling van lof en kritiek, deze keer in een vertaling in poëzie, aan toe te voegen. Vrijheid is het grote thema van de Leeuwendalers, libertas/vrijheid is een belangrijk motief in de woorden van Tityrus. Een vertaling in poëzie van de complete werken volgde dertien jaar later. Horatius adviseert dat je een gedicht negen jaar moet laten liggen voordat je het publiceert. Joan Blasius, die altijd klaar staat om de poëticale voorschriften te bespotten, maakt daar in Dubbel en enkkel (1670) een grap over: ‘Ik heb het wel langer dan negen jaar laten liggen, maar ik zie niet dat het er beter van is geworden’. Nee: al die jaren moet je het overdenken, eraan slijpen en er nieuw licht over laten schijnen. En dan nog is het resultaat misschien niet in alle opzichten een verbetering. Glenn Gould nam in 1955 de Goldbergvariaties op en opnieuw in 1981: eerst in 38 minuten en een kwart eeuw later in 55. Dezelfde Bach, een andere Gould: niet alleen het tempo, maar de hele interpretatie, sfeer en klank is verschillend. En wie zal uitmaken welke beter is! Dertien jaar schelen Vondels poëzievertalingen van Vergilius’ eerste ecloga, en dat levert een enorm verschil op. Beide versies zijn voortreffelijk en het is een avontuur te bepalen welke de beste is. Als we deze beide versies naast elkaar leggen, en de verschillen tegen elkaar afwegen, zien we hoeveel mogelijkheden een vertaler heeft om een tekst naar vorm en inhoud adequaat weer te geven. De eerste versie telt de meeste verzen, maar (ik realiseer het me dankzij de onderstaande reactie van Jos Houtsma) het zijn 144 pentameters tegen 114 hexameters in 1660.

In 1647 is de aanhef van Melibeus als volgt:

Ghy Tityr leght en duickt vast, uitgestreckt
In ’t groen, zoo dicht van beuckenloof bedeckt,
En tureluurt op uwe pijp, gesnede
Van wanckel riet, een veltliet, wel te vrede:
(5) Maer wy, ocharm, verlaten lant en zant,
En Vaders haert. Ghy mooght aen dezen kant
Uw Amaril, uw schoonste, in schaduwe eeren,
En bosch en galm uw minnewijzen leeren.

Dertien jaar later:

Gy, Tityr, leght en duickt gerust en zonder schroom,
En speelt in schaduw van den breeden beuckeboom,
Op eenen dunnen halm, een veltliet, blyde en wacker:
Wy moeten ’t vaderlant verlaeten, en den acker:
(5) Wy moeten scheiden van ons vaders huis, en hof.
Gy, Tityr, mooght, dus stil in lommer, vry den lof
Van goelijcke Amaril verheffen met een’ hallem,
Zoo dat ’er ’t bosch naer luistre, en zoet op wedergallem.

In de tweede versie weerspiegelt ‘gerust en zonder schroom’ de hendiadys ‘leght en duickt’; Vondel zet dit voort met ‘blyde en wacker’ in vs. 3 en met ‘vaderlant en acker’ in 4; ‘huis, en hof’ komt in vs. 5 in de plaats van ‘lant en zant’. Het laatste vers van Vergilius, ‘tu, Tityre, lentus in umbrâ // Formosam resonare doces Amaryllida sylvas.’ vertaalt hij in beide versies niet letterlijk. Er staat: Tityrus, rustig in de schaduw leer jij de bossen Amaryllis te weergalmen; het ‘leren’ zit in de eerste versie, maar de tweede geeft het echoën van Amaryllis’ naam veel beter weer. De assonantie van de t-klank in Vergilius’ tekst, die pas in het laatste vers achterwege blijft geeft het Latijn een effectieve muzikaliteit, trompetstoten die weg-ebben in een glissando. Zo hóór je de echo uit het bos galmen. Dat niveau kan Vondel niet bereiken: het alles overstemmende rijm in de Nederlandse poëzie staat deze subtiliteit van het Latijn in de weg.

Het assonerende ‘Tityre, tu’ herhaalt Vergilius chiastisch in vs. 4. In de Leeuwendalers-versie is die herhaling verdwenen, maar in 1660 hersteld, zodat de driedeling ‘gy-wy-gy’ weer duidelijk naar voren komt. Daarmee zijn de verhoudingen geschetst: Meliboeus verbaast zich erover – zonder rancune zoals Vergilius hoopvol stelt – dat Tityrus ontspannen liefdesliederen zingt, terwijl hij en alle andere boeren en herders van hun landerijen verdreven worden. De opvatting dat Vergilius deze ecloga schreef om Octavianus (Augustus) te eren is dus maar een deel van het verhaal: de ellende van Meliboeus meet hij net zo breed uit als de dankbaarheid van Tityrus. Vergilius is niet zuinig met zijn kritiek en Vondel dikt het nog een beetje aan. Tityrus zet juichend in met zijn lof op  Octavianus: ‘deus nobis haec otia fecit’, een god heeft mij deze rust geschonken. In 1647:

TIT. O Melibees, een Godt heeft my geredt,
(10) En dus gerust in vaders erf gezet.

In 1660 geeft Vondel het compacter weer, en letterlijker:

Ti. Een Godt, ô Melibé, verleende ons deze rust.

Tityrus verbindt de gunst die hij in de verre grote stad Rome heeft gekregen met zijn nieuwe geliefde, Amaryllis. Meliboeus spreekt haar dan toe – wat niet inhoudt dat ze werkelijk aanwezig is; de scène lijkt gevuld met niet meer dan de twee sprekers – door te zeggen:

MEL. O Amaril, bedruckte en bleecke vryster,
(60) Het gafme vreemt, waerom ghy toen zoo byster
De Goden riept te hulpe, en voor wiens mont
Ghy ’t ooft, waer van uw hof geladen stont,
Bespaerde, en liet verrotten op de boomen:
Want Tityr was noch niet eens t’huis gekomen,
(65) En dit geboomte en bogert, beeck, en bron
Om Tityr riep, wat ieder roepen kon.

De laatste verzen van deze passage klinken in 1660:

(55) Want Tityr was van huis. dees bronnen, deze boomen,
En boomgaerds riepen al dat Tityr t’huis most komen.

Dan laat Tityrus zich gaan in een loflied op zijn eigen geluk. Erg gevoelig is dat niet: de enige luisteraar is de arme Meliboeus die zijn akkers kwijt is. Op de adynata van Tityrus – hij geeft vergelijkingen die onmogelijk zijn: eerder grazen herten in de wolken, eerder drinken de Germanen uit de Tigris en de Perzen uit de Saône, dan dat ik mijn dankbaarheid tegenover Augustus verlies – volgt het melancholieke aardrijkskundelesje dat Meliboeus geeft als hij de grenzen van het Romeinse rijk opsomt waar hij en zijn lotgenoten in ballingschap zullen gaan.

TIT. Het hart zal eer gaen vliegen hemelhoogh,
De visch in ’t lant gaen weiden op het droogh,
De Persiaen en Duitschman, beide vreemden
En ballingen, in veergelege beemden
(105) Den dorst verslaen; d’een aen den oever van
Den Tiger; gene in ’t wedt des Arars, dan
Ick zulck een deught, en zijn gedachtenisse
Uit mijn gemoedt, en mijn gedachten wisse.
MEL. En wy, ocharm, wy mogen henegaen,
(110) Daer Libye zijn’ dorst niet kan verslaen;
Een deel van ons ten Noorden, altijt droever;
Een ander deel, daer langs den hoogen oever,
Oäxes, die zoo vreeslijck drijft en woelt,
Het vette klay van bey zijn kanten spoelt;
(115) Een ander deel naer ’t krijtstrant, daer de Britten
Zoo verre alleen van al de weerelt zitten.
Och, zal ick wel mijn vaderlant en grens
Na langen tijt eens weêrzien, naer mijn’ wensch,
En ’t zodendack van mijn bekrompe hutte,
(120) Daer zulck een oegst, vol weelde, ’t leven stutte?
Zal een soldaet, een onverlaet, o schant!
Bezitten dit gebouwde en nieuwe lant?
Een vreemdeling baldadigh ’t velt bezaeien,
En zulck een’ oegst met dolck en degen maeien?
(125) Bezie nu wat krackeel den burger brouwt;
Voor wie hy zweet, en ackers eert, en bouwt.

Dat fenomenale beeld van dolk en degen als zeis is een inventie van Vondel.  Dat verdwijnt in 1660:

Ti. Het snelle hart zal eer zich door de lucht vermeiden,
De visch uit baere zee op ’t drooge lant gaen weiden,
(85) De Persiaen, en Duitsch, gebannen van ’s lants boôm,
Dees d’Arar drincken, die uit Tigris klaeren stroom,
Eer ick zijn weldaên en genade zal vergeeten.
Me. Wy mogen nu een deel van hier de zee gaen meeten
Naer Libye, daer ’t volck van hitte en zon versmacht;
(90) Een deel in ’t noorden; en een deel daer d’oude gracht
Oax den klaygront spoelt; een ander deel zich spreiden
In groot Britanje, van de weerelt afgescheiden.
Och, zal ick immermeer, en na een’ langen tijt,
De grenzen van mijn lant, eer ’t vliênde leven slijt,
(95) Het zodendack, mijn kleene en arme hut, aenschouwen,
Daer ick, gelijck een heer, my weeligh plagh t’ onthouwen?
Een godeloos soldaet en krijghsman zal die stout
Bezitten ’t nieuwe lant, zoo schoon, en wel gebouwt?
Een snoode vreemdling zal die dan onze oogsten maeien?
(100) Bezie, ay zie, waer brengt de tweedraght, quaet te paeien,
De schaemle burgers toe. Bezie, ay zie, ô schant,
Voor wien bezaeiden wy ons vruchtbaer ackerlant.

Opvallend is dat Vondel is zijn nieuwe bewerking het gejuich van Tityrus inkort, maar Meliboeus alle ruimte geeft om zijn beklag te doen over het verlies van zijn land; hij voegt er zelfs emotionele herhalingen aan toe (tweemaal ‘Bezie, ay zie’) – het is wel duidelijk bij wie zijn sympathie ligt.

Het slot van het gedicht is een open einde. Tityrus heeft het laatste woord, hij biedt Meliboeus onderdak en voedsel aan. Of Meliboeus dat accepteert vertelt Vergilius niet; het kan zijn dat ze gezellig hebben zitten smikkelen en toen samen of met elkaar naar bed zijn gegaan. De tweede ecloga gaat over knapenliefde, bij Vergilius is alles mogelijk. Maar het is ook denkbaar dat Meliboeus Tityrus doodgeslagen heeft.

Wat mij betreft verdient Vondel met de Tityrus van 1660 een punt voor zijn mooie vertaling van ‘Deus nobis haec otia fecit’ en de Meliboeus van 1647 krijgt een pluim voor de soldaat die ‘met dolck en degen’ staat te maaien. De eerste Tityrus vertaalt het adynaton soepeler (‘Het hart zal eer gaen vliegen hemelhoogh’), terwijl de tweede Meliboeus indruk maakt met zijn emotionele herhaling van ‘Bezie, ay zie’. Het is aan de lezer om nog meer punten te verdelen, en uit te maken waar Vondel de beste vertaling heeft gevonden.

De drie versies zijn afgedrukt op de site van de opleiding Nederlands in Leiden; achtereenvolgens het Latijn in cursief, Vondels proza in donkerrood, zijn losse vertaling van 1647 in zwart en in donkerblauw zijn poëzievertaling van 1660. De tekst is in kleine porties verdeeld om de vertalingen gemakkelijk met elkaar te kunnen vergelijken. Het zou mooi zijn om op diezelfde manier de complete Wercken af te drukken; voorlopig heb ik dat alleen gedaan voor het zesde boek van de Aeneïs.