‘De Jood Lévi met augurkjes’ (1822) en ‘De koopman in hoeden’ (1824)

Jeugdverhalen over joden (51)

Door Ewoud Sanders

Roelf Gerrit Rijkens (bron: Geschiedenis van de opvoeding en het onderwijs, vooral in Nederland, 1927)

Auteur: Roelf Gerrit Rijkens (1795-1855)

Roelf Gerrit Rijkens was de derde zoon van een onderwijzer uit Garmerwolde in Groningen. Op zijn veertiende ging hij zelf lesgeven, op een dorpsschooltje in Ommen. Een bezoekende schoolinspecteur adviseerde hem een ander beroep te kiezen: als onderwijzer zou hij het nooit ver schoppen.

         De jonge Rijkens vatte dit op als een uitdaging. Hij zette zijn tanden in de studie en bij een volgend bezoek was de schoolinspecteur wel positief. Rijkens vestigde zich in Groningen en werd schoolhoofd. Allengs ontwikkelde hij zich tot een vernieuwende didacticus en pedagoog die landelijk veel invloed had.

         In de eerste helft van de negentiende eeuw publiceerde Rijkens tientallen schoolboeken over vrijwel alle schoolvakken. Veel van die boeken werden door hem zelf geïllustreerd, want hij kon ook verdienstelijk tekenen.

         ‘De Jood Lévi met augurkjes’en ‘De koopman in hoeden’ verschenen in een door Rijkens ontwikkelde ‘Natuurlijke Lees-leerwijze’. Het gaat om een reeks van vijf leesboekjes voor kinderen in de eerste en tweede klas van de lagere school (nu groep drie en vier basisschool). Daarnaast had deze reeks tot doel, aldus Rijkens, ‘om met en door het leeren lezen het verstand der leerlingen op te scherpen, en het zaad der ware deugd ongemerkt in hunne gevoelige hartjes te strooijen’.

         ‘De Jood Lévi met augurkjes’ is te vinden in het derde deeltje van deze reeks, getiteld De beminnelijke Gerrit. Tussen 1822 en 1854 beleefde dit boekje zeven drukken.


Illustratie van R.G. Rijkens uit De beminnelijke Gerrit (derde druk, 1830).

Boven de prent staat: ‘Lévi met augurkjes’. Eronder horen we Lévi’s straatroep:

Lekker zuur! Lekker zuur!
’t Stuk een’ cent maar, ’t is niet duur.
Wil toch niet voorbij gaan loopen,
Zonder iets van mij te koopen.

Op de bladzijde ernaast begint het gedicht ‘De Jood Lévi met augurkjes’:

De Jood:
Lekker zuur! Lekker zuur!
’t Stuk een’ cent maar, ’t is niet duur.
Koopt maar, jongens! toe maar, knápen!
Kijk, wat sta je daar te gápen!
Daar gij, snoepert! proef ze maar,
Proef vrij van mijn lekk’re waar.
Nú, wat zeg je?

Het eene knaapje:
Dat ik, vrind!
Ze volstrekt niet lekker vind.

Een ander knaapje:
Koopman! krui maar spoedig voort,
Zij zijn van de weekste soort.

Lévi:
Zoo hard als bikkeltjes! En waarom zal ik dan voortkruijen? Moet ik niet verkoopen?

De knaapjes (hem ná baauwende):
Nu, koopman! blijf dan staan, als je niet voort wilt.

Na deze dialoog volgt een zedenles van meester Rijkens, deels op rijm. Eerst stelt hij: ‘Foei! foei, knápen! wat staat het leelijk, goede, oude menschen na te baauwen’ (na te doen). Want:

Wie oude lieden graag bespot,
Beleeft eenmaal een treurig lot.

Daarna stelt hij: ‘Het staat ook niet mooi, dat gij daar zoo op straat staat te éten, dat doen ook geene wel opgevoede kinderen.’ Hij besluit met deze les:

In huis of op straat,
Mijd, kind! wat niet staat.
Een lomp en onbescheiden kind
Wordt wel veracht, maar niet bemind.

David Mozeszoon

‘De koopman in hoeden’ is te vinden in het vijfde en laatste deeltje van de reeks ‘Natuurlijke Lees-leerwijze’. Ook dit boekje, getiteld De vermakelijke Nikolaas, was succesvol: tussen 1824 en 1856 beleefde het vijf drukken.


Illustratie van R.G. Rijkens uit De vermakelijke Nikolaas (tweede druk, 1829).

De afbeelding bleef in alle drukken gelijk, maar de tekst onderging een kleine en een grote wijziging.

         In de eerste druk uit 1824 spreekt de hoedenverkoper, die wordt geïntroduceerd als David Mozeszoon, met een joods accent:

Khoop! khoop! een hoedje, mooi en fhijn!
Een stheek, of threerhoed [treurhoed], mij om ’t even,
Het zal toch tot verwharming zijn:
Wat wilt gij voor dit stheekje geven?

In de tweede druk uit 1829 zijn de tussengevoegde h’s (bedoeld om de joodse uitspraak van het Nederlands weer te geven) geschrapt en vanaf de derde druk uit 1836 heeft de hoedenverkoper een nieuwe naam: in plaats van David Mozeszoon heet hij Pieter van der Loon. Voor het overige is het vers hetzelfde gebleven. Het gaat om een onderhandeling tussen een hoedenkoopman en een klant, gevolgd door commentaar en vragen van de schoolmeester.

         Interessant is dat Rijkens in zijn commentaar uitlegt hoe hij tot het schrijven van dit vers is gekomen. ‘Op deze wijze’, schrijf hij, ‘zag ik voor een paar dagen door den ouden Mozes [vanaf 1836 staat hier vanzelfsprekend ‘Pieter’; ES] een hoed verkoopen. Ik dacht: komaan! deze zamenspraak moet ik eens voor de aardigheid in rijm brengen, dan wil ik dezelve door mijne kinderen laten lezen, om dan te vragen, of zij ook iets op de handelwijze van Mozeszoon hebben aan te merken.’

         Omdat deze samenspraak – op het rijm na – een betrouwbare indruk maakt en we weinig bronnen hebben voor echte verkoopgesprekken van joodse straathandelaren, hier de complete onderhandeling tussen Mozes en zijn klant, geciteerd uit de tweede druk van De vermakelijke Nikolaas (1829):

De koopman:
Koop! koop! een hoedje, mooi en fijn!
Een steek, of treurhoed, mij om ’t even,
Het zal toch tot verwarming zijn:
Wat wilt gij voor dit steekje geven?

Een ambagtsman:
Mozes! ’k wil geen steekje dragen,
Ga dit aan een preekheer vragen.

De koopman:
Snijd een stukje van den rand.
Zie, het is een sterke klant,
Voel toch, wat een fijne hoedje,
Mozes heeft uitmuntend goedje.

De ambagtsman:
Ja, maar zie, de kleur is vaal
En de rand is ook al kaal.

De koopman:
Vaal van kleur? zwart als een gidje,
O mijn vriend! o wee! nu vit je.

De ambagtsman:
Zeg, Mozeszoon! hoe veel er voor?

De koopman:
Een beetje geld, mijn vrindje! hoor:
Slechts een daalder, goede baas!

De ambagtsman:
Koopman! koopman! zijt gij dwaas?
Twee dubbeltjes, zie daar een bod.

De koopman:
O wee! gij drijft met mij den spot.

De ambagtsman:
’k Geef geen’ halve cent er bij.
’k Groet, u Mozes!

De koopman:
Hei! hei! hei!
Geef je dan een gulden?

De ambagtsman:
Neen.

De koopman:
Dan tien stuiver?

De ambagtsman:
Ach, loop heen!

De koopman:
Ook geen schelling, vriendje! hé?

De ambagtsman:
Loop naar de …

De koopman:
Geluk er mee! Geluk er mee!

Na deze samenspraak vraagt de meester hoe zijn leerlingen denken over de handelswijze van de hoedenverkoper. Leerling ‘Gerard Eerlijk’ vindt het ‘niet mooi’ dat Mozes zoveel vraagt, leerling ‘Jakob Trouw’ stelt dat weinig mensen zulke kooplieden zullen vertrouwen. De meester is het daarmee eens: ‘Men durft niet bij hen koopen, omdat zij niet vertrouwd mogen worden. Zij ondervinden hetzelfde wat alle oneerlijke menschen ondervinden: wantrouwen en verachting.’ Moraal: ‘Weest eerlijk als goud, geeft elk het zijne; wie met eene bedriegelijke hand werkt wordt arm.’

‘Domme, slechte, godvergetene joden’

Rijkens besluit het laatste deeltje van zijn leesmethode met een advies voor zijn ‘jeugdige Lezers en Lezeressen’. Ze zitten nu in klas twee van de lagere school en kunnen lezen, dus het wordt tijd voor andere ‘nuttige dingen’, zoals lessen in bijbelse geschiedenissen.

         Ook daar schreef Rijkens een schoolboek over, namelijk: Vader Edelhart, of De bijbelvriend: bevattende de geschiedenissen des Heiligen Schrifts voor jonge kinderen. Het is de moeite waard om nog even stil te staan bij wat Rijkens in dit boek over joden schrijft. Hier enkele citaten over de kruisiging:

‘Ziet hier den lieven Jezus aan het kruis genageld, lieve Kinderen! En dat alleen, om dat Hij de zondaars door zijne leer gelukkig wilde maken; alleen, omdat Hij niet leerde wat de domme en slechte Joden hebben wilden, dat Hij leeren zoude. (…) Terwijl Hij reeds aan het kruis hing en pijnelijk met den dood worstelde, waren er nog onder de Joden die hem beschimpten. (…) De godvergetene Joden vielen voor Hem op de knieën neder, als voor eenen Koning, om Hem te vernederen. Zij sloegen Hem met vuisten op het hoofd. (…) Ach! zoo groot was toen de boosheid der Joden, dat zij Gods Zoon dus hoonden en bespotteden.’

Vader Edelhart, of De bijbelvriend was indertijd een populair schoolboek:tussen 1829 en 1851 beleefde het vijf drukken.

Receptie

De beminnelijke Gerrit en De vermakelijke Nikolaas werden, net als veel andere boeken van Rijkens, positief ontvangen. ‘Beide boekjes’, aldus het tijdschrift Nieuwe Bijdragen over de laatste twee deeltjes in deze reeks, ‘schijnen ons bij uitnemendheid geschikt, om het voorgestelde doel te helpen bevorderen. In beide vindt men eene aangename verscheidenheid van onderwerpen, die zoo in toon als vorm afwisselen. Eene menigte wel uitgevoerden houtsneden versieren deze boekjes, die zich verder door eene goede uitvoering bijzonder aanbevelen. De heer Rijkens toont door deze werkjes hoe verre hij het in de kunst gebragt heeft om voor de jeugd natuurlijk, aangenaam en nuttig te verhalen.’

Dit bericht is geplaatst in column, geen categorie met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter