‘De goede vrijdag’ (1821)

Jeugdverhalen over joden (50)

Door Ewoud Sanders

‘De goede vrijdag’ (1821)
Auteur: Jan Antonie Oostkamp (1778-1845)

Herkomst en drukgeschiedenis

‘De goede vrijdag’ is een verhaal in de bundel Feestgeschenkje voor de christelijke jeugd. De auteur, Jan Antonie Oostkamp, was godsdienstonderwijzer in Zwolle. Tussen 1814 en 1836 schreef hij zo’n dertig lesboeken, vooral over aardrijkskunde, godsdienst, vaderlandse en Bijbelse geschiedenis.

Illustratie uit Feestgeschenkje voor de christelijke jeugd (1821). Het oorspronkelijke onderschrift luidt: ‘Triomf! de Heer is opgestaan, / Wij kunnen vrolijk grafwaarts gaan.’

         ‘Niet tegenstaande de menigte der kinderschriften, thans in onze moedertaal voorhanden’, aldus Oostkamp in zijn voorwoord, ‘ontbrak er naar het oordeel van deskundigen nog een Feestgeschenkje voor onze Christelijke Jeugd: dat is, een boekje, in hetwelk den kinderen, op eene aangename en leerzame wijs, met de algemeen erkende feestdagen der Christenen, naar hunne vatbaarheid, bekend gemaakt werden.’

         Feestgeschenkje voor de christelijke jeugd was in 1821 een coproductie van twee uitgevers: J.L. Zeehuisen in Zwolle en R. van Groenenbergh in Groningen.

Samenvatting

Het verhaal ‘De goede vrijdag’ bestaat uit een samenspraak tussen ‘huisvader’ Welmoed en zijn vier kinderen: Eduard, Karel, Koosje en Lotje. Welmoed is ‘een man van uitgebreide kennis, juist oordeel, gezond menschenverstand en een deugdzaam hart’.

         Op een dag vragen zijn kinderen hem of hij ze wil vertellen over het Paasfeest. Als ‘de voortreffelijke man’ van wal wil steken, ziet hij Koosje naar buiten turen.

            Welmoed: ‘Maar wat scheelt Koosje? Die zit daar zoo stijf voor de glazen en schijnt aan ons onderhoud geen deel te willen nemen.’
            Koosje: ‘O ja zeer gaarne vader! maar ik zat daar te kijken naar die Joden en Jodinnen, welke hier voorbij gingen. Wat zijn zij mooi gekleed. Ik geloof dat zij uit de Kerk komen.’
            Broer Eduard: ‘Gij wilt zeggen uit de Synagoge, want de Joden hebben geene Kerk.’

            Vader legt uit dat synagoge ‘bedehuis’ betekent. En dat de joden zo mooi zijn gekleed vanwege Grote Verzoendag. Vervolgens vraagt hij zijn kinderen of ook christenen, net als joden, een Grote Verzoendag hebben.

            Als de kinderen dat ontkennen (‘wij zijn immers geene Joden; en wat zouden wij dan met eenen grooten verzoendag doen?’), vertelt vader over een ‘beleefd’ gesprek dat hij een paar jaar geleden op een ‘Hollandsche trekschuit’ had gehad met ‘een Jood met eenen vrij langen baard’. De ‘slimme jood’ had gevraagd of christenen hun eigen Grote Verzoendag hadden, want ‘zij spreken en schrijven zoveel van verzoening’.

            Welmoed had daarop geantwoord: ‘Ja mijn Heer! Ook de Christenen hebben hunnen grooten verzoendag, de verzoendag des Nieuwen Testaments, waarvan de uwe slechts eene schaduwe was’.

            Aan zijn kinderen legt Welmoed daarna ‘kort en zakelijk’ uit dat Goede Vrijdag ‘met goed recht’ de ‘grote verzoendag der christenen’ genoemd kan worden. ‘Want op dien dag is Christus, onze Zaligmaker, gekruist, gestorven en begraven, en heeft door zijn lijden en dood de ware verzoening onzer zonden aangebragt’. Welmoed voegt eraan toe dat Jezus ‘op een verraderlijke wijze’ gevangen is genomen door ‘de Joden’ en dat zijn lijden en sterven verschrikkelijk waren geweest.

Receptie

Van Feestgeschenkje voor de christelijke jeugd heb ik één bespreking gevonden. Het Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak oordeelde in 1823 dat uit dit boekje ‘voor kinderen op eene zeer aangename wijze zeer veel te leeren’ is ‘nopens Hem die ons leven en de bron van al ons heil is’.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

1 Response to ‘De goede vrijdag’ (1821)

  1. De heer Sanders levert de Christenen van vroeger en nu onderhuids een gemene streek. Terug.

Laat een reactie achter