‘De gevolgen van een slecht gedrag’ (1800)

Jeugdverhalen over joden (49)

Door Ewoud Sanders

‘De gevolgen van een slecht gedrag’ (1800)
Auteur: Daniël Willem Stoopendaal (1776-1829)

Herkomst en drukgeschiedenis

Willem krijgt slaag nadat hij de ruit van een schoenmaker kapot heeft gegooid met een steen die was bedoeld voor een arme, oude joodse straathandelaar. Gravure van de Amsterdamse prentkunstenaar Daniël Veelwaard (1766-1851) uit Zedelijke, nuttige en leerzaame verhaalen, voorbeelden en gedichtjens voor kinderen.

Daniël Willem Stoopendaal, de auteur van dit verhaal, was de zoon van de Amsterdamse graveur Daniël Stoopendaal en diens vrouw Maria Schmidt, toneelspeelster van beroep. Daniël Willem, die zijn werk meestal signeerde met D.W.S. of D.W. Stoopendaal, was als steendrukker en graveur gespecialiseerd in het maken van bord- en gezelschapsspellen. Daarnaast schreef hij toneelstukken: tussen 1797 en 1828 verschenen er vijftien van zijn hand, doorgaans kluchten, waarvan sommige uit het Duits zijn vertaald.

         Het verhaal ‘De gevolgen van een slecht gedrag’ is opgenomen in de bundel Zedelijke, nuttige en leerzaame verhaalen, voorbeelden en gedichtjens voor kinderen (1800). In het voorwoord noemt Stoopendaal zich ‘kindervriend’. Over de verhalen zegt hij aan zijn jonge lezers: ‘Prent ze in uwe tedere gemoederen, en laaten zij u tot Leering verstrekken.’

         Van Zedelijke, nuttige en leerzaame verhaalen verschenen vier drukken: in 1800, 1804, 1822 en 1832. Zowel de eerste als de tweede druk verschenen op vijf december, kennelijk hoopte de uitgever dat het als sinterklaasgeschenk zou dienen. Aangezien de eerste druk niet bewaard is gebleven, is in de samenvatting geciteerd uit de tweede druk uit 1804.

Advertentie uit de Haagsche Courant van 5-12-1800. De tweede druk verscheen op 5-12-1804.

Samenvatting

Willem en Pietjen (sic) zijn broers. Pietjen is een braverik, Willem is lui en een ‘kwaaddoener’. Op een dag komen zij in de stad een ‘armen ouden Jood’ tegen, ‘die zijn citroenen, chinaas-appelen en andere koopmanschappen langs de straat uitveilde’. De jood is ‘hoog bejaard’ en heeft moeite met lopen.

         Dit brengt Willem op het idee om hem met stenen te bekogelen. Pietjen probeert zijn broer op andere gedachten te brengen, maar Willem laat zich niet overtuigen.

         Willem: ‘Kom! kom! het is maar een smous, die mag wel een beetje hebben.’

         Pietjen: ‘Is hij, om dat hij een Jood is, daarom slechter dan wij, is hij ook niet een schepsel dat door God (…) geschaapen is?’

         Willem: ‘Ja, maar hij bedriegt de menschen, verkoopt hun rottige citroenen, bedorven limoensap, en geeft hun te weinig gewigt.’

         Aan dat laatste dragen christenen volgens Pietjen zelf bij: ‘Willen wij van een jood, het goed niet een derde, ja soms de helft goed kooper hebben dan van een’ Christen, en noodzaaken wij hem dus niet om ons te bedriegen?’

         Het gesprek blijft ‘vruchteloos’ en Willem gooit de ene na de andere steen naar de ‘arme, oude man’, zonder hem te raken. De grootste steen vliegt over diens hoofd en door het raam van een schoenmaker. Die heeft het gesprek tussen Pietjen en Willem gehoord; hij grijpt Willem bij zijn haar en slaat hem zo hard met een ‘spanriem’ dat Willem ‘nog zes weeken daar na, de pijn gevoelde’.

         Omdat de schoenmaker zijn ruit vergoed wil krijgen, neemt hij de jongens mee naar hun vader. Hij vertelt hem precies wat er is gebeurd. Vader had al eerder klachten over Willem gekregen en nu is zijn geduld op. Tegen Willem, die op zijn knieën smeekt om hem nog eenmaal te vergeven, zegt hij dat zijn berouw te laat komt. ‘Voor eerst zal ik het glas, dat gij gebrooken hebt uit uwe spaarpot betalen, en het overschot, waar voor ik u een paar mooije zilveren gespen gekogt zoude hebben, zal ik den armen Jood geeven, en u zal ik, voor een paar jaaren, in het Verbeterhuis zetten.’

         En zo gebeurt het. De ruit van de schoenmaker wordt vergoed, de jood krijgt het restant van Willems spaargeld (twaalf gulden) en Willem wordt ‘twee volle jaaren’ opgesloten in een ‘Verbeterhuis’.

Verhaalvarianten

Kennelijk vond men de straf voor Willem – twee volle jaren opsluiting – in de loop der tijd wat al te cru, want in de druk uit 1834 is dit gewijzigd in ‘eenige maanden’. Een curieus tekstverschil betreft de voorgenomen besteding van Willems spaargeld; in 1804 zegt vader dat hij dit had willen besteden ‘aan een paar mooije zilveren gespen’; in 1834 staat hier: ‘Het overschot waarvoor ik u eenen mooijen bok gekocht zoude hebben’.

Doelgroep en receptie

Volgens een advertentie van uitgeverij Bohn in de Utrechtsche Courant van 5-12-1804 werd het boek Zedelijke, nuttige en leerzaame verhaalen ‘om deszelfs innerlyke waarde by aanhoudendheid tot Prysjens gevraagd’ – lees: als prijsboek uitgereikt op scholen, aan leerlingen die goed hadden gepresteerd. Besprekingen heb ik niet gevonden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter