De baard van de mop meten

Door Marc van Oostendorp

Wie een verhaal meerdere keren vertelt, vertelt geen twee keer precies hetzelfde verhaal. Het raakt gestroomlijnd doordat details die er niet zoveel toe doen gaandeweg verdwijnen, je past het bewust of onbewust aan je gesprekspartners aan, de veranderde omstandigheden doen een bepaald detail pregnanter naar voren komen. En na verloop van tijd kent je publiek het verhaal en begint er alleen al om die reden anders op te reageren.

Dat geldt bijvoorbeeld voor sprookjes, misschien wel de verhalen met de grootste herhalingsfrequentie. Wie Roodkapje vertelt, weet vrijwel zeker dat zijn publiek het al tot in detail kent. Dat kun je merken aan de lidwoorden, laten Folgert Karsdorp en Lauren Fonteyn zien in een nieuw artikel in Palgrave Communications.

Het idee is eenvoudig: er is in het Nederlands net als in veel (maar niet alle) andere talen een verschil tussen bepaalde (de, het) en onbepaalde (een) lidwoorden:

  • Ik heb een boek gekocht (dat je zal verrassen).
  • Ik heb het boek gekocht (dat je me hebt aangeraden).

De haan

Er zijn allerlei andere redenen om onbepaalde of bepaalde lidwoorden te gebruiken, maar in essentie betekent een dat je het nog niet eerder over het boek hebt gehad, en het juist dat je ervan uitgaat dat alle gesprekspartners weten waar het over gaat. Karsdorp en Fonteyn geven het volgende voorbeeld (het begin van een vertaling van een fabel van Aesopus) die een en ander illustreert:

Een hond en een haan werden grote vrienden en besloten samen op reis te gaan. Bij het vallen van de avond vloog de haan op een tak van een boom en de hond kroop in een holte van de stam. Bij het morgenrood werd de haan wakker en kraaide als gewoonlijk. 

Dit illustreert het typische gebruik van lidwoorden binnen een verhaal – de personages worden geïntroduceerd met een en treden vervolgens op met de. Karsdorp en Fonteyn hadden het slimme idee om ditzelfde te testen voor hetzelfde verhaal door de eeuwen heen. Karsdorp heeft voor zijn proefschrift al een grote verzameling Nederlandstalige versies van Roodkapje door de eeuwen heen verzameld (ik interviewde hem daar indertijd ook over).

De baard van een mop

Dat kwam nu van pas. Zo kun je tellen hoeveel bepaalde en onbepaalde lidwoorden er door de eeuwen heen worden gebruikt in de openingszinnen van het verhaal. Zo blijkt dan dat er in de loop van de tijd meer bepaalde lidwoorden worden gebruikt: ‘Roodkapje was het meisje dat door het bos liep’, een indicatie dat vertellers er inderdaad vanuit gaan dat de luisteraar weleens van dat meisje hebben gehoord.

Ik denk dat er nog wel een kanttekening te plaatsen is: dat vertrouwdheid met het verhaal niet de enig mogelijke verklaring is voor deze verandering in lidwoordgebruik. Het is bijvoorbeeld ook mogelijk dat eenvoudigweg de stijl van verhalen vertellen (of van sprookjes vertellen) in de loop van de tijd veranderd is. Dat ook in sprookjes die nog nooit iemand gehoord heeft tegenwoordig de personages meer met bepaalde lidwoorden worden geïntroduceerd, bijvoorbeeld omdat dit het effect geeft van in medias res te zijn beland.

Er valt dus nog wel iets uit te zoeken; in ieder geval biedt dit onderzoek perspectief op een taalkundige analyse van het slijten van verhalen. Ooit kunnen we misschien statistisch vaststellen hoe vaak iemand dezelfde sprookje al heeft verteld aan zijn publiek, en hoe lang de baard van een mop precies is.